UIT LIEFDE VOOR KINDEREN

Wij houden van kinderen. Als ouder van onze eigen kinderen en als professional van alle kinderen. We weten nog goed hoe het voelde om voor het eerst ouder te worden. Je begint er vol overgave aan en wil het zo goed mogelijk doen met je kind. Maar wat is ‘goed’? Regelmatig wordt je overvallen door twijfel: ben ik wel een goede ouder? Vanuit die twijfel zijn wij professioneel aan de slag gegaan en hebben wij de vraag gesteld: wat is altijd in het belang van kinderen? Waar zijn zij bij uitstek bij gebaat? Het antwoord is verrassend simpel en stamt uit fundamenteel wetenschappelijke kennis over de ontwikkeling en behoeften van het jonge kind: 1) zorg voor veilige hechting en 2) schenk gelijke aandacht aan de ontwikkeling van de vermogens die elk kind biologisch mee krijgt.

(1) Veilige hechting
Dat is de biologisch noodzakelijke band tussen baby en verzorger die de zekerheid geeft dat de verzorgers van je houden zoals je bent, dat je veilig bent en kunt vertrouwen op je verzorgers en daardoor op jezelf, dat jouw initiatieven (signalen) effect hebben, dat het dus uitmaakt wat je doet. De wereld wordt zo een boeiende en veilige plek die je vrij en ontspannen kan ontdekken. Veilige hechting moet je samen realiseren, binnen 2 jaar. En op die veilige basis gaat de peuter dan verder in zijn ontwikkeling, waarbij hij in elke nieuwe fase weer voor nieuwe opgaven komt te staan. Die gaan hem makkelijker af met een veilige basis, maar kosten meer moeite met een wankele basis.
Maar wat is daar voor nodig? Liefde geven met veel fysieke koestering (knuffelen, wiegen, strelen, op het lichaam dragen etc) en je verzorging afstemmen op de signalen van baby’s. Wij zijn zoogdieren en moedertje natuur heeft er voor gezorgd dat we die liefde en die zorg in principe zonder veel moeite geven, dankzij ons ‘limbisch brein’. Dat breindeel motiveert ons om te zorgen, vormt ons vermogen liefde te geven, af te stemmen op anderen etc. Dat geeft nog geen garantie. Onze persoonsgeschiedenis, leefsituatie en actuele psychische obstakels kunnen deze ‘natuurlijke’ mogelijkheden doorkruisen en zelfs teniet doen. Ook cultureel voorgeschreven, door de staat opgelegde doelen of uit eigen kind-ervaringen  vertrouwde overtuigingen over de ‘beste’ opvoedingsaanpak, kunnen dat effect hebben. Dan is de kans groot dat een veilige hechtingsband uitblijft. We koesteren dan bijvoorbeeld te weinig, of geven onze liefde met voorwaarden (als jij doet wat ik wil ….. dán houd ik van je), of zijn onvoldoende in staat de signalen te begrijpen en daar responsief op te reageren.

Wat is responsief reageren?
Kort gezegd: het zien en begrijpen van de biologische behoefte die schuil gaat achter de ‘vraag’ (het signaal) van een kind en daar een passend ‘antwoord’ op geven. Je moet daarvoor dus kindgericht kijken, met als uitgangspunt: ik wil jou begrijpen, helpen, steunen.
Je begrijpt dan bijvoorbeeld dat je baby huilt om aan jou een signaal te geven: ik heb honger, dorst, slaap of ik heb het koud/warm, of ik ben heel erg bang (alleen in mijn bedje), of heb behoefte aan koestering. En je reageert daar responsief op door hem bij je te nemen en te knuffelen, ook als hij net zijn voeding heeft gehad en jij had gedacht dat hij wel zou gaan slapen. Maar als je niet begrijpt waarom je baby blijft huilen terwijl je hem net gevoed hebt, dan laat je hem misschien huilen omdat je denkt: hij wil alleen aandacht. Aandacht en koestering zijn echter van levensbelang voor de baby, hij kan niet zonder.
Huilen is een signaal: er is iets aan de hand. Laten huilen verhoogt de productie van het stresshormoon cortisol, dat de vervelende eigenschap heeft om hersencellen af te breken. Veel stress hindert dus de breingroei. En nee, met responsief en liefdevol reageren op het huilen ‘verwen’ je de baby niet. In liefde en aandacht kan je een baby nooit verwennen. Wel verwaarlozen. Al zijn behoeften zijn trouwens biologische behoeften, de behoeften van elk zoogdier. Ook van jou als ouder, want die gaan nooit over! Ook jij als ouder wil gekoesterd worden als je eenzaam, bang of verdrietig bent.
Maar ook een dreumes kan zich gedragen op een manier die jij niet begrijpt. Ondanks jouw verbod zit die toch alsmaar weer aan de tv, pakt je i-phone of i-pad. Jij denkt: hij luistert niet, maar in feite is hij doende de wereld te ontdekken en begrijpt hij jouw verbod echt niet. Daarom blijft hij dat doen. Door een drang alles te onderzoeken van die voor hem zo vreemde wereld. Daar kan hij niks aan doen, dat gaat vanzelf, zonder nadenken.
Bij gebrek aan responsief reageren wordt de communicatie met het kind ook vaak negatief waardoor het kind zich onbegrepen en afgewezen voelt zonder te begrijpen waarom. Straffen en belonen zijn dan de methoden om kinderen te laten doen wat de volwassenen willen. Allebei maakt kinderen bang en onzeker.

Waarom niet straffen en belonen?
Straffen en belonen is populair geworden in jaren vijftig van de vorige eeuw, maar is al die tijd wetenschappelijk omstreden gebleven. De basisgedachte erachter is dat je mensenkinderen net zo kunt dresseren als bijvoorbeeld honden-puppen. Martin Gaus, de bekende hondenkenner, zei dit nog recent op tv, bij Jinek. Neem eerst een hond en daarna weet je hoe je kinderen moet opvoeden! De grote basisfout bij deze gedachte: alle zogende dieren zijn zoogdieren, en dus is elk zoogdier het zelfde. Maar dat is dus niet zo. Het brein van het menselijk zoogdier verschilt fundamenteel van dat van andere zoogdieren. Een hond wordt geboren met een min of meer kant klaar reactie-repertoire: bij die prikkel reageer je zo. De reactieketen is simpel: S(stimulus) ⇒ R(respons). Een hond denkt daar niet over na, kan dat ook niet, hij doet. Een hond kan je dus makkelijk een prikkel (S) aanbieden en hem trainen op een passende reactie (R). Al lukt dat alleen als je 100% consequent traint. Bij het menselijk zoogdier werkt dit heel anders. Er ontbreekt een vastgelegd reactie-schema, want in de plaats daarvan hebben wij een grote en complexe neo-cortex. Dankzij die neo-cortex kunnen wij, zonder een blauwdruk van reacties, toch overleven door elke prikkel (S) zelf te interpreteren, erover na te denken en van daaruit te reageren (R). Het menselijk reactieschema is dus: S(stimulus)  ⇒ O(organisme)  ⇒ R(respons). Die ‘O’ dat zijn wij zelf, ons brein, onze biologische basisbehoeften, onze aanleg, ervaringen, ontwikkeling etc. En elke prikkel wordt door die ‘O’ zelf verwerkt. Een aanpak die is gericht op het simpele schema van S(stimulus)  ⇒ R(respons) werkt dus niet bij mensen. Dat toch proberen beschadigt kinderen. Want wat gebeurt er bij straffen en belonen?

De volwassene reageert vanuit het eigen volwassen perspectief op het kindgedrag dat hij ervaart als onwenselijk of onvoldoende. Hij heeft verwachtingen en eisen die doorgaans geen rekening houden met wat het kind feitelijk, dus biologisch, wel of niet kan of nodig heeft. Bijvoorbeeld: het kind moet overal af blijven en het moet gehoorzamen. Het kind kan daaraan niet voldoen dus in het gedrag verandert niets. De volwassene vergeet nu eerst te kijken en te luisteren naar de signalen en mogelijkheden van het kind en gaat via straf of een beloning proberen het gewenste gedrag, de gewenste prestatie af te dwingen. Het kind verwerkt deze ‘S’ op zijn eigen kinderlijke dus beperkte niveau als een bedreiging: hij voelt de verwachting, de (boze) eis, die hij niet begrijpt en ook niet koppelt aan zijn eigen gedrag, en de grond voor zijn gedrag is er nog wel steeds, dus hij herhaalt wat hij deed (R). De volwassene denkt nu dat hij ‘niet luistert’ en reageert met straf of met het onthouden van een beloning. Daar snapt het kind ook helemaal niets van maar hij voelt nu wel dat hij in de ogen van de volwassene niet voldoet, dat die hem even niet meer lief vindt. En dat gevoel zet zich vast. Hoe vaker en intenser deze ervaring hoe banger het kind wordt en hoe negatiever het over zichzelf gaat voelen.

Straffen zet de liefdesband rechtstreeks op het spel. Die liefdesband is voor het kind zijn belangrijkste houvast. Als die op het spel staat voelt dat dus als heel bedreigend. In zijn brein zit een alarmcentrale: de amygdala (amandelkern). Die slaat aan bij gevaar en instrueert het zenuwstelsel, dat het lichaam in opperste staat van paraatheid moet brengen:
het stresshormoon schiet omhoog, bewegingsapparaat (spieren) wordt aangespannen, de zintuigen op scherp gesteld, hartritme en bloedsomloop versnellen etc. Dit fysiologisch proces maakt het lichaam startklaar voor het afweren van het gevaar: vechtend (met boosheid) of vluchtend (met angst). Op dit noodweerproces hebben wij geen enkele controle! Het kind gaat angstig huilen of zich boos verzetten. Van een boze noodweerreactie zijn volwassenen niet gediend, dus het kind wordt nu ook daarop afgewezen. Dat verhoogt de dreiging (onveiligheid) en dus ook de noodweer van het kind. Herstel van veiligheid blijft uit, raakt zelfs verder weg. Zonder liefde staat hij er alleen voor. Dat is pas echt levensbedreigend. Het kind wil maar één ding: de ouderliefde terug winnen en zo zijn veiligheid herstellen. Hij weet niet hoe, hij heeft immers nog steeds geen idee wat er van hem gevraagd wordt en waarom. Zijn brein kan hier nog lang niet over ‘nadenken’. Hij doet wat, op de gok, en kijkt wat er gebeurt. Hij leert hier dus niets van en de reden voor zijn gedrag is niet weg, dus de volgende keer doet hij het weer. Totdat zich gaandeweg een ervaringsreeks vastzet: bij A wordt de verzorger altijd boos. Al begrijpt hij nog steeds niet waarom. En de verzorger legt niet vooraf een verlanglijstje bij het kind neer over wat hij wel/niet wenselijk vindt. Dat is dus telkens opnieuw een volslagen verrassing voor het kind, waar telkens straf op volgt. Herhaald straffen ondermijnt het vertrouwen in de verzorgers en in het zelf, dat geeft een angstig levensgevoel, zet prestaties onder druk en dwarsboomt de morele ontwikkeling: het netto resultaat is hetzij toenemend ‘ongewenst gedrag’ hetzij ‘gewenst gedrag’ zonder morele impact maar gericht op de ‘pakkans’ of op het behouden van de liefde. Dat laatste maakt het kind blijvend afhankelijk van het oordeel van de verzorgers en anderen, ook als hij volwassen is.
Belonen lijkt een ‘positieve’ benadering, maar is in de uitwerking net zo negatief en schadelijk als straffen. Belonen zet vanwege de voorwaardelijkheid eveneens de liefdesband op het spel: belonen = je wordt gewaardeerd, niet belonen = je voldoet (nog) niet. Een beloning moet je dus ‘verdienen’. Belonen gaat altijd over het resultaat, niet over het proces. Er zijn 3 typen van belonen, met verschillende effecten op kinderen. (1) Uit gewoonte, zonder nadenken dus willekeurig (het kind heeft geen idee wat in de smaak valt), (2) corrigerend, gericht op gewenst gedrag (het kind moet iets goed doen) en (3) aansporend, gericht op een gewenste prestatie (het kind voldoet niet). Het kind leert zo om dingen te doen omwille van de beloning. En dat ondermijnt de intrinsieke vermogensmotivatie (je doet dingen voor de lol, het plezier van het doen als zodanig): Oké, als ik die beloning krijg dan wil ik heus wel mijn speelgoed delen. Dat ondermijnt een morele ontwikkeling die het juist moet hebben van een eigen geweten met daarin geïnternaliseerde overtuigingen over Goed en Kwaad, en dat niet wordt gestuurd door behartigen van het eigenbelang.
En omdat die beloning/waardering komt van anderen maakt dat in hoge mate zelf-onzeker (kan ik wel telkens opnieuw aan die verwachting voldoen?), heel anders dus dan een kind dat met het plezier van de eigen inspanning ergens in slaagt en daar zelf vol vreugde over is. Dat geeft zelfvertrouwen. Niet al die complimentjes. Door belonen gaan als gevolg van toenemende faalangst de prestaties dus juist achteruit. En de natuurlijke prestatiedrang (verbonden aan de intrinsieke motivatie) raakt bedolven onder een prestatiedwang, waarbij het kind steeds meer dingen doet zonder daar plezier aan te beleven. Onderzoek onder jongeren laat zien wat dat betekent: ze koken, sporten, volgen een opleiding, maken carrière, lezen boeken, kijken films om geen andere reden dan maatschappelijke waardering, in grotere of kleinere kring. Het verdwijnen van de intrinsieke vermogensmotivatie met haar natuurlijke prestatiedrang is dodelijk voor de innovatieve kracht van een samenleving en bevordert werkstress en ziekteverzuim.

(2) ontwikkeling van de vermogens
Alle mensen zijn zoogdieren en krijgen bij de geboorte zoogdierlijke vermogens mee. Denk aan: de zintuiglijke, de motorische, cognitieve (denk- en leervermogen) en de affectieve (liefdes) vermogens. Die zijn bij de geboorte nog niet voldoende ontwikkeld. Daar is tijd voor nodig en voldoende stimulering. De groei van het brein stuurt deze ontwikkeling. Het brein is bij de geboorte nog maar voor 25% klaar. In de erop volgende 2 jaar wordt in hoog tempo de overige 75% afgemaakt. Dan is het brein nog niet echt ‘af’, want pas rond de 25 -30 jr is het brein volgroeid, volwassen. In de tussentijd kan er dus van alles mis gaan. Juist omdat kinderen volledig afhankelijk zijn van hun omgeving, van wat hun leefomgeving aanbiedt aan dingen die de groei bevorderen of belemmeren, van jou als verzorger dus.
Het tempo van de breingroei en de ontwikkeling van de biologische vermogens verschilt, maar de opvolging van stadia is voor ieder kind hetzelfde. En geen enkel kind kan méér dan zijn breingroei mogelijk maakt. Zo kan geen enkele dreumes of peuter ‘nadenken’ over zichzelf of over een handeling van oorzaak-gevolg (ik wil dit hebben dus pak ik het af). Zijn cognitieve vermogens zijn nog lang niet zover. Elke dreumes/peuter ‘doet’, vanuit impulsen. Een dreumes weet zelfs nog niet eens dat hij ‘een persoon’ is, een ‘ik’; dat ontdekt hij pas zo rond de 20 maanden! Hoezo nadenken over ‘zichzelf’? De peuter die inmiddels wel weet dat hij een ‘ik’ is, kan de wereld nog slechts ondergaan vanuit dat ‘ik’; hij heeft geen enkel besef dat een ander ook een ‘ik’ is, met eigen behoeften en wensen. Zo ervaart hij zelf de pijn van een klap van een andere peuter, maar heeft geen benul dat de klap die hij zelf geeft dus ook pijn doet bij die ander. Wij kunnen ons dat allemaal niet meer voorstellen. Wij zijn volwassen, ons brein is volgroeid, en wij denken en voelen vanuit een volwassen brein. En van daaruit kijken we naar kinderen: ‘hij weet heus wel dat die klap pijn doet, dat voelt hij toch zelf ook!’; ‘ik heb hem al 3 keer gewaarschuwd, dus hij weet heus wel dat dit niet mag, maar hij doet het toch, hij probeert mij gewoon uit’; ‘zie je, hij kijkt al naar mij als hij het doet, dus hij weet het heus wel’.
Maar die waarschuwing begrijpt het kind niet, dus blijft hij doen wat zijn impulsen aangeven. En hij kijkt naar jou als verzorger omdat hij de ervaring heeft opgedaan dat jij op iets zus of zo reageert, zonder enig begrip van het waarom. En geen enkel kind kan zelfs maar bedenken wat het is: ‘jou uit proberen’. De neiging blijkt dus groot om van een kind veel meer te verwachten dan wat het in feite al kan, dan wat zijn breingroei mogelijk maakt. We kijken niet vanuit het kind maar vanuit onszelf. Dat overvragen van het kind, zet ongewild de liefde en veiligheid op het spel. Het kind voelt een verwachting, die hij niet snapt, en de (negatieve) reactie die hij krijgt geeft aan hem het signaal dat hij niet aan de verwachting voldoet: hij faalt, is niet goed genoeg. Maar hij tast in het duister over het wat, hoe en waarom. En omdat hij de wereld nog alleen maar vanuit zichzelf ondergaat is er maar één ‘conclusie’: het ligt aan mij, ik ben niet goed genoeg. Dat gevoel zet zich vast, en maakt hem blijvend onzeker over de liefde en over zichzelf.

Maatschappelijke prestatiedwang: leren moet!
Ook zorgelijk in dit verband is de toenemende maatschappelijke druk op ‘presteren’. Denk aan de VVE-programma’s, de ‘klas-0’, de toets in groep 1 van de basisschool. In Amsterdam, Almere en Rotterdam ‘mogen’ alle peuters nu tenminste 5 uur per week (2 dagdelen van 2,5 uur) naar school, klas 0. En daar worden ze ‘spelenderwijs’ klaar gestoomd voor de basisschool, waarbij kinderen met een risico op achterstanden in taal en rekenen zelfs 10-12,5 uur (4 tot 5 dagdelen) per week naar school ‘mogen’. Dat wordt gebracht als een ‘recht’ (op ontplooiing). Het is ongetwijfeld goed bedoeld, maar niet gedacht vanuit de biologische realiteit van kinderen: hun behoeften en (on)mogelijkheden. Het dwingt peuters in een keurslijf van cognitieve prestaties, die ook worden gemeten en getoetst, waarin ze dus kunnen falen. En aan de verwachte ‘leer-ontwikkeling’ kunnen de peuters nog lang niet voldoen. Hun breingroei is nog niet zover dat ze kunnen leren rekenen bv, of samen werken. Zie: ‘Van baby tot kleuter: leren moet!’.

Uit liefde voor kinderen…..
Is kiezen voor kinderen, voor wie ze zijn, wat ze biologisch wel of niet kunnen en waar zij biologisch behoefte aan hebben. Ook als het de verzorger slecht uitkomt, of als er financiële of politieke belangen in de weg zitten. Ideologieën over opvoeding nemen niet het kind als uitgangspunt maar eisen dat kinderen daarin (gaan) passen. De website Adaptief Opvoeden (in voorbereiding) biedt extra informatie over hoe je een goede basis kunt leggen voor een evenwichtige groei van het kind, dat zich veilig, vrij en onbelast kan ontwikkelen.

 

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *