STAATSPEDAGOGIEK: VIER PEDAGOGISCHE VERGISSINGEN

In de wet staan pedagogische doelen en eisen die bouwen op een aantal fundamentele vergissingen in het denken over de ontwikkeling van kinderen en hun basisbehoeften. Dat maakt het door Staatspedagogiek schenden van pedagogische vrijheid des te wranger. Ondernemers die het anders willen dan de staatspedagogiek voorschrijft en het toezicht dwingend oplegt, zijn machteloos. Zij riskeren een ‘overtreding’ en dus imagoschade op het web. Wie weet zelfs een handhaving. Dat wordt met de voorgenomen ‘procesmeting’ van de pedagogische praktijk in de toekomst nog veel erger. Inspecteurs komen dan uren foute doelen en eisen observeren met een onbruikbaar pedagogisch ‘observatie-instrument’, vol pedagogische gebreken en genormeerde richtlijnen en criteria (zie: Onderzoeksrapporten voor de bühne). Voor kinderen een gruwel, omdat zij niet krijgen wat ze nodig hebben. Ondanks de aangetoonde slechte kwaliteit zijn de staatsdoelen onwrikbaar en is het GGD-instrument al gepubliceerd, dus een (politieke) realiteit. Wij geven u hier enkele kernfouten, zodat u wéét dat de Nederlandse staatspedagogiek allerminst bijdraagt aan het welzijn kinderen.

vergissing I: stabiliteit geeft veiligheid
Kinderen hebben een aantal belangrijke biologische basisbehoeften, waaronder de basisbehoeften aan affectie en aan veiligheid. Dat begint al bij baby’s die een veilige hechtingsband nodig hebben, maar blijft ook in de jaren erna een rol spelen: de biologische basisbehoeften gaan nooit over. Maar stabiliteit geeft geen garantie voor die veiligheid noch voor veilige hechting. Rust, Reinheid en Regelmaat (jaren 50-ideologie) gaf als regel wel stabiliteit maar geen liefde en koestering en dus geen veilige hechting. Met minder stabiliteit maar meer liefdevolle koestering en meer responsiviteit zijn kinderen stukken beter af. De staatspedagogiek houdt stabiliteit voor veiligheid en heeft geen enkele aandacht voor de onvoorwaardelijke liefde die nodig is voor echte veiligheid en hechting. Zolang kinderen de hele dag in hun eigen stamgroep ‘verblijven’ is stabiliteit gegarandeerd en zijn kinderen dus ‘emotioneel veilig’, is de gedachte. De kinderopvang werd onderworpen aan een ‘stamgroep-regime’, zonder oog voor wat echt liefdevol, koesterend en dus veilig is. Zoals het werken met een vaste zorgleidster voor elk kind, zeker bij baby’s. Baby’s hebben vanwege een veilige hechtingsband baat bij zo weinig mogelijk verschillende gezichten en handen. Dat valt eenvoudig te realiseren door aan elke beroepskracht eigen zorgkindjes toe te wijzen waar zij de hele dag zelf verantwoordelijk voor is: zij troost, voedt, knuffelt, verschoont, speelt met haar zorgkindjes. Zij is vanaf de eerste dag hun rots in de branding. Het blijkt dat baby’s veel sneller wennen als zij elke dag in de armen zijn van hun zorgleidster, haar geur en stem herkennen, haar hartritme voelen etc . En die liefde wordt ook veel sneller wederzijds. Dit heeft een grote impact op de onderlinge band: veilig, liefdevol en voorspelbaar. Tenminste, als de zorgleidster in dat contact voldoet aan de andere voorwaarden voor veilige hechting, zoals liefdevol koesteren en responsief reageren. Voor deze band tussen zorgleidster en baby is de stamgroep eigenlijk bijzaak. Een eigen zorgleidster is de beste garantie voor veilige hechting. De baby/dreumes kan dan juist heel veel aan. Naarmate kinderen ouder worden vermindert de dominante focus op de primaire/ secundaire liefdesobjecten en komt er meer ruimte voor contacten en banden met anderen. De scheidslijnen tussen de stamgroepen vervagen mee. Zeker als er tussen stamgroepen veel wordt samengewerkt en de kinderen elkaar en de verschillende beroepskrachten dus goed leren kennen. Want de peuter kan en wil dan wel steeds een beetje meer.
Het stamgroep-regime van de staatspedagogiek biedt vooral ruimte aan de GGD om naar believen ‘overtredingen’ te noteren, nu zelfs vanuit ouderrecht. Maar veiligheid voor kinderen biedt het niet. Zij blijven in de kou als het aan de overheid ligt.

vergissing II: responsief reageren is ‘positief communiceren’
De term responsiviteit is in de staatspedagogiek onderdeel van het doel ‘emotionele veiligheid’. Maar wat responsiviteit is, wordt niet begrepen, dat blijkt wel uit de toepassing ervan: men beseft niet dat straffen en belonen juist niet responsief is. Met dit instrument wordt echte responsiviteit nu net nìet getoetst en gebrek aan responsiviteit wordt juist positief beoordeeld. In de inspectierapporten lees je vreemde voorbeelden van ‘responsiviteit’, zoals: “de beroepskracht maakt oogcontact, geeft complimentjes en maakt grapjes”; “er vinden vriendelijke en hartelijke interacties plaats”; “je kunt zien dat de beroepskrachten de kinderen mogen”; ” de beroepskracht noemt de kinderen bij naam…” Dat heeft allemaal niets te maken met responsiviteit.
Want responsiviteit is kort gezegd: het zien en begrijpen van de biologische behoefte die schuil gaat achter de ‘vraag’ (het signaal) van een kind en daar een passend ‘antwoord’ op geven. Je moet daarvoor dus kindgericht kijken, met als uitgangspunt: ik wil jou begrijpen, helpen, steunen. Je begrijpt dan bijvoorbeeld dat je baby huilt om aan jou een signaal te geven: ik heb honger, dorst, slaap of ik heb het koud/warm, of ik ben heel erg bang (alleen in mijn bedje), of heb behoefte aan koestering. En je reageert daar responsief op door hem bij je te nemen en te knuffelen, ook als die net zijn voeding heeft gehad en jij had gedacht dat die wel zou gaan slapen.
Positief communiceren is op zichzelf dus niet ‘responsief’. Je kunt op positieve toon elke basisbehoefte van een kind negeren, hem alleen maar corrigeren in plaats van zijn signaal te herkennen en begrijpen. Responsief reageren is geen standaardkunstje en het gaat allerminst vanzelf. Responsief reageren moet je leren. Deels door kennis en gepaste reactiewijzen aan te leren deels door juist dingen af te leren. Zoals normatieve verwachtingen opleggen aan kinderen, of de vanzelfsprekend geworden neiging om te straffen en te belonen in de hoop dat kinderen zich dan gaan gedragen zoals jij wilt. De staatspedagogiek geeft hier juist steun aan. Niet aan responsiviteit. En de controlerende inspecteurs zien het verschil niet.

vergissing III: straffen en belonen is goed
Het is vaak zo makkelijk gezegd maar in de praktijk zo moeilijk gedaan: houden van een kind, ongeacht wat die doet. Dat heet: onvoorwaardelijke liefde. Dat is liefde die géén voorwaarden stelt aan het kind en dus niet zegt: als jij nu lief bent, dan…..; als jij nu doet wat ik wil, dan…Bij onvoorwaardelijke liefde leert het kind dat hij goed is en dat jouw liefde voor hem nooit op het spel staat. Dus ook niet als hij iets kapot maakt, niet naar je luistert, jou slaat, altijd van alles kwijt is, of slecht presteert op school. Juist dan komt het er immers op aan! Onvoorwaardelijke liefde straft die boosheid of die prestatie dus niet af. Is er werkelijk een correctie nodig, dan gebeurt dat liefdevol en begripvol, met respect voor (on)mogelijkheden van het kind: het hoeft niets méér te kunnen dan zijn breingroei dus zijn ontwikkeling toestaat. Een peuter kan in zijn stadium van breingroei nog alleen maar ‘vanuit zichzelf kan kijken en reageren’. Die hoeft dus nog geen rekening te houden met anderen, en krijgt dus geen preek dat hij anderen pijn doet of iets niet mag afpakken. Het kind beseft en ervaart dan dat hij mag zijn wie hij is en dat hem niets wordt aangerekend dat hem boven zijn macht gaat. Dat hij in wat hij wèl kan best fouten mag maken en er op kan vertrouwen dat hij liefdevol wordt geholpen het een volgende keer anders te doen. Dat geeft de zekerheid: ik ben het waard om van gehouden te worden.
Zulke kinderen groeien op met een grote tolerantie voor eigen fouten en fouten van anderen. Daardoor leren zij ook veel méér van fouten, die zijn immers niet belast. Voor kinderen die daarentegen met voorwaardelijk liefde zijn opgegroeid, is elke fout al snel een drama. Zij worden volwassenen die bang zijn om fouten te maken (‘perfectionisme’), die direct smoezen bedenken als er dan toch een fout is gemaakt, die het onverdraaglijk vinden als zij door anderen op fouten worden gewezen omdat zij niet anders kunnen dan dit interpreteren en ervaren als een afwijzing van henzelf, want dat zijn ze gewend. Zij zullen een fout het liefst zo snel mogelijk vergeten in plaats van te proberen er iets van te leren. Onderlinge kritische feedback tussen collega’s is bijna ondoenlijk voor ze. Zij durven het niet te geven, uit angst voor liefdesverlies en in het ontvangen zijn ze heel gewillig maar niet zelden verandert er niets in hun gedrag omdat ze de feedback als kritische afwijzing ondergaan en dat blokkeert het ervan leren en in gedrag omzetten.
Helaas zijn heel veel mensen opgegroeid met voorwaardelijke liefde van waaruit zij ook hun eigen kinderen voorwaardelijke liefde geven. En die voorwaardelijkheid kan meer of minder eisend, streng, afwijzend en straffend of juist belonend zijn.

In de Nederlandse staatspedagogiek en dus ook in het toezicht is conditioneren met straffen en belonen echter een normaal onderdeel. Niet straffen in de zin van schreeuwen, lijfstraffen of zulke dingen, maar wel met ‘time-out’, strafstoeltjes, nadenkstoeltjes of stoutkleedjes, zelfs voor baby’s! En ook met corrigerend toespreken. Dat moet dan wel ‘respectvol’. Kinderen worden zo ‘respectvol’ gecorrigeerd, dus afgewezen, op dingen die ze nog helemaal niet anders kunnen of die door hun biologische basisbehoeften worden aangestuurd, zoals: iets afpakken, met iets gooien, op de bank springen of niet ‘netjes’ op hun beurt wachten. Deze aanpak is niet uit kwade bedoelingen maar uit naïviteit, gebrek aan kennis over wat kinderen wel/niet kunnen en de gevolgen van conditioneren. In inspectierapporten wordt deze voor kinderen schadelijke aanpak land-breed als positief beoordeeld. U voelt het al: bewust niet zo reageren stuit op onbegrip bij inspecteurs en kan leiden tot het oordeel dat er onvoldoende wordt ‘gestructureerd’ (criterium!) en er dus onvoldoende ‘emotionele veiligheid’ (staatsdoel!) wordt geboden. Terwijl de wetenschappelijke feiten laten zien dat straffen of afwijzen in welke vorm dan ook de liefdesband per definitie op het spel zet en dus heel onveilig voelt. Met belonen, ook conditioneren, is het niet anders (zie: Uit liefde voor kinderen). Maar talloos zijn de goedkeurende opmerkingen van inspecteurs in de inspectierapporten als zij observeren dat beroepskrachten kinderen belonen, prijzen. Dat noemen ze ‘positief aanmoedigen’ of ‘positief bekrachtigen’. Belonen lijkt een ‘positieve’ benadering, maar is in de uitwerking net zo negatief en schadelijk als straffen. Belonen zet vanwege de voorwaardelijkheid eveneens de liefdesband op het spel: belonen = je wordt gewaardeerd, niet belonen = je voldoet (nog) niet. Met belonen leren kinderen dingen te doen omwille van die beloning: Oke, als ik die beloning krijg dan wil ik heus wel mijn speelgoed delen. Stopt de beloning, dan stopt ook het gedrag of de inzet. En omdat die beloning/waardering komt van anderen maakt dat in hoge mate zelf-onzeker (kan ik wel telkens opnieuw aan die verwachting voldoen?). Het zijn niet de eigen kindermaatstaven, en dus heel anders dan een kind dat met het plezier van de eigen inspanning ergens in slaagt en daar zelf vol vreugde over is. Dát geeft zelfvertrouwen. Niet al die complimentjes. Door belonen ontstaat faalangst, verdwijnt de natuurlijke prestatiedrang (verbonden aan de intrinsieke motivatie) die bedolven raakt onder een externe prestatiedwang, waarbij het kind steeds meer dingen doet zonder daar plezier aan te beleven. Een staatspedagogiek die zich om kinderen bekommert, wijst straffen en belonen af!

vergissing IV: structureren is grenzen stellen
“Kinderen hebben structuur en grenzen nodig” is een breed gedragen misverstand, als dit wordt ingevuld met regels opleggen en overtredingen afstraffen of regel-volgend gedrag belonen. In de Nederlandse staatsdoelen en het toezicht is het ‘structureren door grenzen stellen’ echter een standaard item van kwaliteit.
Wat kinderen wèl echt nodig hebben is ‘voorspelbaarheid’: weten wat er gaat gebeuren en dat het niet elke dag weer anders is, dus ongewis. Voorspelbaarheid geeft een gevoel van vertrouwen, van veiligheid. Overigens hebben ook volwassenen deze basisbehoefte, die gaat nooit over. Daarom houden zij graag vast aan de status quo, ook als die niet zo prettig is, maar alles beter dan de onvoorspelbaarheid van vernieuwing. Voor kinderen geldt dit nog sterker omdat zij nog niet op eigen kracht routines kunnen aanbrengen. En dat is waar het in de kern om gaat: vaste dagindeling, routines, rituelen, consequente reacties (niet wisselvallig), benoemen wat er gaat gebeuren etc. Dat is structuur bieden.
Grenzen, dus regels stellen is iets heel anders: dit mag wel, dat niet, of tot hier en niet verder. Niet de kinderen maar de verzorgers hebben daar ‘behoefte’ aan. Die regel-stellende behoefte van verzorgers is groter naarmate zij gedragingen van kinderen meer als ‘ongewenst’ ervaren en dat is vaker het geval als er punitief in plaats van responsief wordt opgetreden. In de kinderopvang zie je vaak een type regels dat geheel overbodig zou zijn als er responsief zou worden gereageerd, regels zoals : ‘niet rennen in de groep’ of ‘of niet schreeuwen’ of ‘niet met speelgoed gooien’ of ‘je bordje leeg eten anders krijg je geen toetje’. Eenmaal zo gesteld gaat de leidster die regel ‘handhaven’ en als een politieagent optreden. Wat gaat hier mis? Iemand die zulke regels hanteert neemt niet de moeite zich af te vragen: waarom gaan de kinderen rennen, schreeuwen, met speelgoed gooien, of hun eten weigeren? Zo iemand verdiept zich niet in dit signaalgedrag, probeert niet de biologische basisbehoefte erachter te ontdekken en daar responsief op te reageren.
GGD-inspecteurs zijn ingenomen met zulke (kind-vijandige) regels en beoordelen ze positief, ongeacht de leeftijd: ‘Eerst je mond leeg eten dan praten’, ‘eerst opruimen voordat je ander speelgoed pakt’, ‘op je billen zitten’, ‘binnen niet rennen’, ‘je mag niet die puzzel afpakken’, ‘blijf zitten want we wachten tot iedereen klaar is”;…. de reeks in inspectierapporten is schier eindeloos. Heel opmerkelijk is dat ze deze voorbeelden ook nog scharen onder het staatsdoel ‘normen en waarden’. Inspecteurs laten zien dat ze geen idee hebben van de effecten van dit ‘grenzen stellen’ op kinderen, geen idee van biologische basisbehoeften, maar ook geen idee van wat normen zijn en wat waarden, laat staan van de morele ontwikkeling van kinderen en hoe dat die werkt.
Wat brengt de Nederlandse staatspedagogiek, die dit mogelijk maakt en stimuleert, teweeg bij kinderen? Regels en eisen raken met deze ‘opvoeding’ emotioneel negatief belast (zie het effect op dwang bij eten); het gedrag wordt blijvend gestuurd door ‘angst voor straf’ en ‘vermijden van straf’: de gedragsneiging blijft overeind, maar de pakkans wordt doorslaggevend. Pijnlijk voorbeeld hiervan is de hausse van anonieme pest-apps die kinderen elkaar sturen met harde en meedogenloze teksten. Daarin wordt met een pakkans van nul ongeremd eigen opvoedingsleed (van straf en afwijzing) uitgeleefd. Het vanzelfsprekend leerproces via een veilige identificatie en gewetensontwikkeling is dan verstoord of zelfs gestagneerd. Het werken met dwingende regels en eisen is dus buitengewoon contraproductief! Maar de staatspedagogiek dwingt het af.

De staatspedagogiek telt meer vergissingen, zoals:
‘fysieke intimiteit’ in plaats van fysieke koestering. Kinderen hebben géén behoefte aan fysieke intimiteit wèl aan fysieke koestering. De term ‘fysieke intimiteit’ is dus geheel misplaatst en heeft een seksuele lading die meteen een foute kleuring geeft aan wat kinderen feitelijk juist zo hard nodig hebben: fysieke koestering. Fysieke koestering is waardevol. Fysieke intimiteit is risicovol, en dus wordt er meteen aan toegevoegd dat die wel ‘gepast’ moet zijn. Wat dan wel of niet ‘gepast’ is staat er niet bij. Er wordt wel een suggestie gedaan: een kind dat koestering afweert of tegenspartelt is in de staatspedagogiek een aanwijzing voor ‘ongepast’. Dat toont geen enkel benul van een kind dat bijvoorbeeld lijdt onder een hechtingsprobleem, en om die reden elk fysiek contact afwijst of juist aan elke vreemde fysieke aanhankelijkheid betoont. Is dat ook ‘ongepast’?
Stimulering wordt opgevat als: elke activiteit die je aanbiedt. Maar stimuleren is pas stimuleren als je dat gericht doet, met kennis van alle ontwikkelingsstadia op alle vermogensgebieden, dus afgestemd op de ontwikkelstappen van een kind. Stimuleren is het kind in die ontwikkelstap uitdagen, door ruimte te bieden voor onderzoek en oefening. Zonder die kennis kan een pedagogisch medewerker of een inspecteur onmogelijk weten welke stimulering, dus uitdaging, er nodig is op welk moment. Elke activiteit heet dan een ‘stimulering’, die inspecteurs en masse positief beoordelen, terwijl een gepaste stimulering juist ontbreekt. De Nederlandse staatspedagogiek geeft daardoor ruim baan aan chronische onder-stimulering. De staat en de inspecteurs weten niet beter.

Minister Asscher: wanneer stopt u deze ondeugdelijke staatspedagogiek?

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *