ONDERZOEKSRAPPORTEN VOOR DE BÜHNE

De overheid, politiek-bestuurlijk Nederland, is kampioen in het uitzetten van onderzoek bij onderzoeksbureaus. Lang niet altijd omdat ze echt precies wil weten hoe iets zit, of beter kan en moet, of werkelijk kwaliteit heeft en dus bijdraagt. Zulk onderzoek verschijnt dan voor politiek gebruik, voor de bühne. Bij voorkeur wordt het onderzoek in dat geval zo simpel mogelijk gelaten: diep het probleem niet al te veel uit, zonder complexe verbanden en wetenschappelijk betrouwbaar of valide hoeft niet. Zolang er maar iets uitkomt dat politiek-bestuurlijk bruikbaar is als legitimering voor de koers. Aan insiders vertellen wij hier niets nieuws. Voor de minister, zijn ambtenaren, de stakeholders op een bepaald beleidsterrein, de onderzoeksbureaus zelf en ook de leden van de Tweede Kamer is dit gesneden koek.
Neem nu de recent verschenen onderzoeksrapporten over de kinderopvang en het toezicht. Kort achter elkaar zagen eind 2014 5 rapporten het licht: over de regeldruk in de kinderopvang (Panteia), de validering van het pedagogisch ‘veldinstrument’ van de GGD-inspecteurs (Sardes), het ‘Risicoprofiel’ dat ineens de status kreeg van ‘instrument’ en dus ook gevalideerd moest worden (Nivel), de pedagogische kwaliteit van peuterspeelzalen (NCKO & Kohnstamm Instituut), het landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang (Inspectie van het Onderwijs). Ook gaf minister Asscher in de verzamelbrief (‘toezicht, handhaving en veiligheid’) aan de Kamer een opsomming van resultaten met de continue screening en de Meldcode (17 november 2014).
Wij hebben deze onderzoeksrapporten geanalyseerd met wetenschappelijke criteria die gelden voor onderzoek, en ook de uiterst summiere data over de meldcode en de screening in de brief van minister Asscher nader bekeken.  Onze wetenschappelijke kritiek kunt in lezen in de pdf Sardes en de pdf NIVEL; Onze kritiek op de staatspedagogiek vindt u in: ‘Staatspedagogiek stelt foute doelen’ en ‘Staatspedagogiek: vier vergissingen’.

Hoe benut het ministerie SZW zulke rapporten?
Wat doen ze met gebleken wetenschappelijke gebreken? Welke politiek wenselijke interpretaties geven ze aan de resultaten?
De onderzoeken van Sardes en Nivel zijn wetenschappelijk ver onder de maat en de gezochte validiteit en betrouwbaarheid is wetenschappelijk niet gebleken. Bij Sardes wezen de resultaten zelfs overtuigend op het tegendeel van hetgeen waarop zij hoopten: de met elkaar vergeleken instrumenten waren totaal verschillend en dus kon het veldinstrument van de GGD er niet mee worden gevalideerd. En bij Nivel ontbrak elke noodzakelijke theoretische stap om een uitspraak te kunnen doen over het risico-model van de GGD. Wat betekent dat voor het risicoprofiel?

Het risicoprofiel van de GGD
We lezen over het Risicoprofiel dat het op onderdelen best voldoet, al moeten de Nivel onderzoekers wel toegeven dat de betrouwbaarheid en validiteit niet kon worden vastgesteld. De reden die zij daarvoor geven: het is een cirkel waarin de inspecteur zijn eigen (vooringenomen) verwachting bevestigt. Maar het probleem is groter: de ‘indicatoren’ zijn willekeurig, zonder onderbouwing en de ‘bronnen’ zijn onbetrouwbaar, dus ook willekeurig. De onderzoekers willen de opdrachtgevers (GGD GHOR en de onderwijsinspectie) ter wille te zijn en suggereren ten onrechte dat er met meer data in de GIR en/of een aparte, uitgebreide inspectie van vestigingen ongeacht kleurcode, best wel een beetje meer betrouwbaarheid kan ontstaan.
Minister Asscher rapporteert over dit onderzoek in zijn verzamelbrief van 17 november en meldt: het Nivel rapport beantwoordt de vraag over de voorspellingskracht (dus validiteit) positief. Onwaar. De onderzoekers zelf zouden daar van opkijken! Hij schrijft verder: het risicoprofiel heeft een breed draagvlak en wordt breed ingezet bij het toezicht, en daarmee ‘voldoet het model aan de belangrijkste doelstelling’ in het risicogericht toezicht. Dat brede draagvlak bij de GGD was er ook al vóór dit onderzoek, dus waarom dan nog de moeite genomen om een valideringspoging te doen? Wat hier feitelijk staat is: er is draagvlak en dat is het enige dat er toe doet; de kwaliteit (en dus de bruikbaarheid) is irrelevant. Dat is even schrikken, want het gaat hier wel om toezicht op de kinderopvang, dus over welzijn van kinderen. Met zo’n boodschap hoeven ondernemers niet aan te komen, op straffe van publieke verwerping. Maar voor de minister en voor de GGD gelden blijkbaar andere maatstaven. Wat verder schrijft de minister dat het model ‘onderscheidend’ is, dus variaties laat zien in geschatte risico’s in jaar 1 en jaar 2. Ook onwaar, want in het Nivel rapport staat dat dit juist uiterst summier is, en vanwege gebleken onbetrouwbaarheid van het instrument mag je dat niet eens serieus nemen. Het rapport wijst er op dat er vooral een grote kans is op wat heet self fulfiling prophecy: de inspecteur – die zelf de kleur bepaalt- stelt vast dat de vestiging daaraan inderdaad voldoet.
Maar jammer voor de feiten, GGD GHOR en de onderwijsinspectie willen graag dat het profiel ‘officieel gestaafd’ is en dat is het met een officieel rapport, ongeacht de uitkomsten en kwaliteit. En de minister wil geen rotzooi in zijn tent. Als een terzijde schrijft de minister nog wel dat validiteit, betrouwbaarheid, effectiviteit en uniformiteit van het risicoprofiel ‘actueel blijft’. Een pro forma opmerking, want de GGD laat dit niet valide en in alle opzichten onbetrouwbare Risicoprofiel gewoon los op de kinderopvang. Waarvan akte.

Het veldinstrument van de GGD
Ook de resultaten van bureau Sardes dat het pedagogisch ‘veldinstrument’ poogde te valideren, worden mooier voorgesteld dan ze zijn. Dit onderzoek is wetenschappelijk broddelwerk, maar toch claimen de onderzoekers dat de validering geslaagd is. Elke ambtenaar kan zien dat dit niet klopt, wat de vraag oproept of er iemand zo’n rapport eigenlijk wel serieus inkijkt? Zonder voorbehoud schrijft de minister in zijn verzamelbrief dd 17 november 2014 aan de Kamer: het veldinstrument van de GGD-inspecteurs is gevalideerd door Sardes. Onwaar. De minister neemt zich voor het per 1 januari 2015 openbaar te maken, want zo ‘kan de dialoog tussen ondernemer en toezichthouder over pedagogische praktijk beter worden gevoerd’. Wat bedoelt de minister hiermee? Dat de ondernemer aan de inspecteur moet uitleggen dat het instrument niet deugt en dat ze dan samen ruzie krijgen over de te observeren pedagogische praktijk?  En dat de ondernemer dat uiteraard verliest omdat de inspecteur de macht heeft om vanuit de staatspedagogiek en met het onbetrouwbare en invalide veldinstrument in de hand, te roepen wat hij wil? Het veldinstrument werd, na wetenschappelijke kritiek, half december 2014, dus vervroegd gepubliceerd.

Wij stuurden die wetenschappelijke kritiek op beide rapporten begin december 2014 al naar het ministerie, BOinK, de Brancheorganisatie en het NCKO, tezamen met nog enkele andere wetenschappelijke analyses, zoals over de staatspedagogiek met haar foute doelen en vergissingen. De wetenschappelijk verantwoorde theoretische concepten en inzichten stuurden we meteen mee  (Uit liefde voor kinderen) en drongen er op aan de pedagogische doelen uit de wet te schrappen omdat ze wetenschappelijk onhoudbaar zijn en aanzetten tot heel verkeerde richtlijnen en heel subjectieve beoordelingen. Allemaal in het nadeel van kinderen. We spraken de hoop uit dat alle betrokkenen hun eerder zo veelvuldig uitgesproken zorg voor ‘kwetsbare kinderen’ zouden waar maken. Kortom: dat ze bereid zouden zijn hun koers bij te stellen, ondanks de geïnvesteerde belangen. Daarop hebben wij niets meer gehoord. Van niemand. Mogelijk vraagt het wetenschappelijk kader dat wij aanbieden meer denk-inzet dan gewenst en is het allemaal te moeilijk (anders dan de eenvoudige maar weinigzeggende termen in de wet). Het kan ook zijn dat inmiddels geïnvesteerde belangen zwaarder wegen dan kindbelangen (zie ook: Het kind verloren in het poldermodel). Hoe dit ook zij, de staatspedagogiek ontbeert een wetenschappelijk fundament en is wetenschappelijk omstreden. Dat is een onplezierig feit voor de minister dat zich niet met een ‘tegenrapport’ van zijn kant laat oplossen. Het is kiezen uit twee kwaden, althans in zijn optiek: aan de kinderopvang haar recht op vrijheid van pedagogiek teruggeven (de enig juiste optie, juridisch en inhoudelijk) of zijn bouwwerk van slechte instrumenten laten instorten in afwachting van wetenschappelijke verbetering van de doelen en hun uitwerkingen in de wet, en dan ook nog hoog oplopende spanningen riskeren met de GGD en misschien ook andere stakeholders.
In een poging deze keuze te omzeilen schrijft de minister in zijn brief aan de Kamer van 20 november 2014: er komt vrijheid van pedagogisch maatwerk. Maar ook dat is weer voor bühne, want dat maatwerk moet wel passen binnen de staatsdoelen! Nader bezien gaat die vrijheid trouwens helemaal niet over pedagogiek, maar over wat losser omspringen met de stamgroepen. Wij doen bij deze (ten tweede male) een beroep op de Tweede Kamer: buig u serieus over het probleem van de wetenschappelijk omstreden staatsdoelen en over het recht op vrijheid van pedagogiek(zie ook ‘Tussen wet en werkelijkheid’).

De meldcode en de continue screening

De minister biedt een summier getalsmatig overzicht in zijn verzamelbrief. Die roept meteen vragen op. Is er geen Kamerlid dat heeft geprobeerd hierover meer duidelijkheid te krijgen? Jammer, want het is beslist interessant om een poging te doen die duidelijkheid te krijgen. Waar je ook zoekt, op de websites van het ministerie van onderwijs, de onderwijsinspectie, het ministerie van binnenlandse zaken en veiligheid en zelfs bij Justis, dat de cijfers levert over screening, is geen officieel rapport te vinden met data over 2014. De door de minister geleverde cijfers zijn dus niet te controleren. En dat is niet onbelangrijk, want het kleine beetje informatie dat Minister Asscher prijs geeft, wijst in de richting van twee zinloze, tijd en geldverslindende procedures, die maar één doel dienen: de schijn van veiligheid.

de screening
Asscher schrijft dat er in bijna 2 jaar 124 signalen waren dat er mogelijk iets mis was met een persoon die een VOG aanvroeg. Dat is heel weinig, gerekend naar het aantal mensen werkzaam in de kinderopvang, dat voor eind 2014 is geschat op 149.814 waarvan 39.666 gastouders. Let wel, het gaat om de periode waar voor iedereen in de kinderopvang een nieuwe VOG moest worden aangevraagd!
Van die 124 signalen gaan er 88 over gastouderopvang, niet over gastouders zelf maar over hun huisgenoten. Dat betekent: in bijna 2 jaar gingen slechts 36 signalen over in de kinderopvang zelf reeds werkzame personen of met het voornemen dat te doen. En om welke strafbare feiten gaat het dan? Van alles, maar géén kindermisbruik. Wel geweld en drugs bijvoorbeeld (70). In 79 van de 88 signalen over huisgenoten van gastouders is handelend opgetreden. In 9 gevallen is dit niet duidelijk. Van de 36 signalen in de kinderopvang (niet-gastouderopvang) bleken 20 géén serieuze signalen en hebben er 16 geleid tot ontslag van medewerkers, om andere redenen dan kindermisbruik.
Kortom: in 2 jaar tijd waren er 95 serieuze signalen, waarvan zeker 79 over de huisgenoten van gastouders en 16 over medewerkers BSO, KDV, PSZ, GOB, die in geen enkel geval gaan over kindermisbruik en wel over ‘geweld en drugs’. Maar vergeet hier niet: een weekendje Lowlands, gepakt met wat drugs, ter plekke een schikkingsvoorstel aanvaarden van de politie en je hebt ineens een strafblad en verliest VOG en baan! De gespecificeerde feiten zijn dus cruciaal. Maar die geeft de minister niet.
Netto resultaat over 2 jaar continue screening ten behoeve van preventie kindermisbruik: geen. Is dit een verrassende uitkomst? Nee, het is een realistische weergave van de kans op misbruik in de kinderopvang. Het vreselijke incident met ’t Hofnarretje was een incident, in 45 jaar kinderopvang. Misbruikrisico ligt vooral buiten de kinderopvang, bij ouders thuis, in familiale kring, in de kerk, bij de sport-zwemclubs, in de jeugdzorg en de pleegzorg. Die feiten zijn goed gedocumenteerd. Maar ja, het ministerie van binnenlandse zaken en veiligheid kan er hier en daar nog wat ‘(Lowlands)boefjes’ mee pakken.
Minister Asscher doet echter of zijn neus bloed. Asscher: ‘ik constateer dat het systeem van continue screening functioneert zoals beoogd’. Zoals beoogd? Bedoelt hij nu dat het systeem technisch werkt, of dat de veiligheid in de kinderopvang is verbeterd? Dat laatste is met een 0-resultaat toch wat schraal, zelfs de bijvangst voor de collega van veiligheid is het noemen niet waard. Ondanks dit 0-resultaat gooit Asscher er nog een schepje bovenop: er komt een personenregister met gegevens van iedereen, inclusief van degene die ‘beschikbaar’ zijn voor het werken in deze branche. En iedereen in dat databestand wordt volledig en blijvend gescreend, dus wees voorzichtig op Lowlands. Een buitengewoon disproportionele aanpak.

de meldcode
Van juli 2013 tot november 2014, dus in 1,5 jaar, waren er 125 meldingen bij de vertrouwensinspecteurs. Van die 125 mogen we 3 meldingen aftrekken omdat die niet gaan over geweld tegen of misbruik van kinderen, maar over VOG’s. En ook de categorie ‘overig’ (16) gaat niet over geweld tegen of misbruik van kinderen. Er zijn dus 106 meldingen geweest in 1,5 jaar. Dat is 70 meldingen per jaar. Met 149.814 werkzame personen in deze branche. Dus: 0.05%. Waarover gaan die meldingen? Wie meldt er? En hoeveel meldingen bleken gegrond? Vooral dat laatste is relevant, want er staan 26 meldingen van misbruik en zelfs 54 van fysiek geweld tegen kinderen op de lijst. De cijfers laten niet zien of meldingen gegrond zijn.  Waarom geeft Asscher die niet? Wel lezen we dat slechts in ‘een aantal gevallen’ door de vertrouwensinspecteurs is geadviseerd om tot aangifte over te gaan. Dat doet vermoeden dat er van die effectief 106 meldingen slechts een handjevol serieus waren, want grond voor aangifte. En ook dat van die 26 keer misbruik en 54 keer mishandeling door geweld, uiteindelijk weinig over bleef, want anders zou de minister dat zeker hebben gemeld. Dat vermoeden wordt versterkt door het feit dat een melding ‘in veel gevallen’ heeft geleid tot een gesprek tussen ouder en kinderopvangorganisatie, of dat er door een ouder een klacht is ingediend bij een onafhankelijke klachtencommissie. Mogelijk gaat het om vooral ‘klagende’ ouders, zonder een echte feitelijke bedreiging van het welzijn van kinderen.
Er is ook een categorie ‘grensoverschrijdend gedrag’, die te denken geeft, want dat blijkt in de ‘meeste’ gevallen te gaan over kinderen onderling op de bso. Maar wat is  ‘grensoverschrijdend’? En wie bepaalt dat? Op grond van welke maatstaven?  Veel volwassenen, ouders, hebben een onterechte gevoeligheid voor fysiek onderzoek en spel tussen bijvoorbeeld kleuters, omdat zij daarin de eigen volwassen seksualiteit projecteren. Voor kinderen in deze leeftijd bestaat er nog helemaal geen seksualiteit. Daarvoor zijn hormonen nodig en die komen pas tegen de pubertijd, niet eerder.
Het is jammer dat het verslag zo vaag blijft. We kunnen ons toch niet aan de indruk onttrekken dat ook het netto-nut van de verplichte meldcode in de kinderopvang hoegenaamd nihil is. De 70 meldingen per jaar vallen op zichzelf al geheel in het niet bij de jaarlijks geschatte 118.000 mishandelde kinderen, thuis of in de eigen omgeving, waarvan 50-70 kinderen overlijden. Laat staan als er van die 70 ook nog eens het merendeel vervalt omdat het geen mishandeling betreft. Het is nuttig om dit resultaat te vergelijken met meldingen gedaan buiten de kinderopvang, zoals in het onderwijs, de gezondheidszorg of buren, kennissen en familieleden.
Maar ook over de Meldcode houdt minister Asscher zich liever op de vlakte. Uit het minimale resultaat leidt hij af: ‘dat de genomen wettelijke maatregelen ten aanzien van de veiligheid in de kinderopvang belangrijk zijn. Ze dragen bij aan een veilige kinderopvang en zijn nodig om kwetsbare kinderen te beschermen’. Een andere conclusie past beter: de kinderopvang is de veiligste plek voor ‘kwetsbare kinderen’, zeker in de kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, veel veiliger dan daarbuiten. De opvang die relatief nog het grootste risico vormt, namelijk de gastouders, neemt de politiek, de minister, alsmaar in bescherming. Blijkbaar tellen de ‘kwetsbare kinderen’ in de gastouderopvang minder.

De onderzoeksrapporten en gerapporteerde cijfers van de overheid houden geen stand bij enig doorzoeken en doorvragen; ze zijn voor de bühne. De kinderopvang wordt opgetuigd met niet te verdedigen eisen, instrumenten en toetsen. De kinderen in Nederland hoeven het van deze overheid niet te hebben.

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *