NIEUWE WET KINDEROPVANG: OPC’s

Minister Asscher is gekomen met een wetsvoorstel voor de kinderopvang ‘Wetsvoorstel Het Nieuwe Toezicht’. Ook wil hij bekijken of er daarin een aparte status kan komen voor de zogenoemde ouderparticipatie-crèches (OPC’s), met vrijstelling van alle eisen in de Wet (behalve veiligheid). Beide initiatieven zijn niet in het belang van kinderen en schenden grondrechten van burgers (vrijheid van pedagogiek en rechtsgelijkheid) en zullen leiden tot een ‘implosie’ van de kinderopvang waar iedereen diezelfde vrijstelling kan opeisen, de Wet Kinderopvang (en ook het daarop gebouwde toezicht) haar bestaansrecht verliest.

Vrijheid…..
Het wetsvoorstel schendt de vrijheid van pedagogiek door enkele willekeurig gekozen pedagogische doelen (Riksen-Walraven) dwingend op te leggen aan de kinderopvang en die vervolgens in beton te gieten door in lagere regelgeving eisen op te nemen uit het observatie-instrument van de GGD (het Veldinstrument). Het wetsvoorstel noemt deze doelen de nieuwe ‘definitie’ van ‘verantwoorde kinderopvang’. Doet een kinderdagverblijf het pedagogisch anders, beter, dan is dat niet ‘verantwoord’ en dus in strijd met deze wettelijke eis. Het Veldinstrument is een uitwerking van de doelen in de Wet Kinderopvang, waarmee de GGD straks toezicht houdt op de ‘pedagogische praktijk’. De minister zorgt er nu voor dat de staatspedagogiek tot op de werkvloer wordt afgedwongen.

Met de keuze voor Riksen-Walraven (lees: het NCKO) legt de minister bewust andere wetenschappelijke benaderingen naast zich neer, inclusief de wetenschappelijke kritiek op Riksen-Walraven die aantoont dat het allesbehalve de ‘beste’ benadering is. Er is dus ook nog eens geen goede (wetenschappelijke) grond om haar doelen en gedachtengoed tot staatspedagogiek te verheffen. Het kindbelang wordt er niet mee gediend, en ook ouders en aanbieders die daar juist wèl voor willen staan verliezen het in zijn wetsvoorstel.

Staatsdwang in plaats van pedagogische vrijheid is niet alleen onverantwoord maar ook juridisch aanvechtbaar, omdat het strijdig is met de Grondwet en de EVRM (Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). Waarom wil Asscher dit dan tóch? Welk ánder belang dient het? Alle praat van de minister daargelaten, blijkt er slechts één belang mee gediend: ‘Het Nieuwe Toezicht’ (HNT) zelf. Daarover is de minister in zijn Toelichting glashelder: ‘het opnemen van de pedagogische doelen (…) verstevigt het pedagogisch fundament voor de eisen in lagere regelgeving en het toezicht daarop’ (lees: het Veldinstrument). Het is ‘de basis voor de wijziging van de toezichtsystematiek’ (MvT blz 7); ‘toezichthouders kunnen zich voortaan tegenover organisaties beroepen op de wet en zij kunnen hun oordelen, handhavings-adviezen en de handhaving zelf (juridisch) beter onderbouwen’ (MvT blz 15/16). De bij wet verplichte pedagogiek wordt dus niet opgelegd omdat dit ‘goed’ is maar omdat het belang van de GGD dit vraagt. Dat die doelen plus het Veldinstrument wetenschappelijk en pedagogisch tekortschieten doet blijkbaar niet ter zake, net zomin als de aantasting van de grondwettelijke keuzevrijheid en het bij wet monddood maken van andersdenkenden en critici. Asscher wéét van de inperking van burgerlijke vrijheden, de subjectiviteit van de gekozen doelen en de ondeugdelijkheid van het Veldinstrument van de GGD maar noemt het allemaal sussend en bezwerend ‘kwaliteitsverbetering van de opvang’. Daar komt geen kind- en/of ouderbelang aan te pas.

Gelijkheid…….
Het wetsvoorstel ‘Het Nieuwe Toezicht’ verankert tevens rechtsongelijkheid, op 2 manieren: door subjectiviteit te legaliseren en door het meten met twee maten. Dat laatste gaat over de zogeheten ‘ouderparticipatie-crèches’ (OCP’s) die mogelijk via een status aparte in de Wet Kinderopvang worden vrijgesteld van (kwaliteits)eisen die gelden voor de professionele kinderopvang.

Subjectiviteit in de wet
De pedagogische doelen en de eisen in het Veldinstrument, maar ook andere voorgestelde eisen zoals ‘stabiliteit van de opvangomgeving’, missen een fatsoenlijke begripsdefinitie en een theoretisch onderbouwde onderlinge relatie. Je kunt er dus alle kanten mee op met als gevolg rechtsonzekerheid voor de burger. Het terminologisch acadabra in het wetsvoorstel gaat ver: de ongedefinieerde doelen van Riksen-Walraven zijn de nieuwe ‘definitie’ van ‘verantwoorde’ kinderopvang. ‘Verantwoorde’ opvang is dus ongewis want ‘gedefinieerd’ met iets dat niet is gedefinieerd. De wet als cryptogram zonder zekere oplossing, vanwege al die ‘onbekenden’. Iedereen zal er dus een eigen subjectieve invulling aan geven. En niemand kan daarbij bogen op een objectief besliscriterium gelegen in de wet, want daar heb je goede definities voor nodig, ook de GGD niet. Toch wordt in de lagere regelgeving de subjectieve interpretatie van de GGD vastgelegd, met eisen ontleend aan haar Veldinstrument. De GGD-inspecteur krijgt dus als enige de macht om de ‘juiste’ oplossing van het cryptogram te bepalen, met in het uiterste geval handhaving met zware boetes of zelfs sluiting wegens handelen in strijd met deze Wet. Niet de wetenschap, zelfs niet de Wet, maar de individuele inspecteur wordt regel-stellend. Dat is een bron van rechtsonzekerheid en rechts-ongelijkheid, waar uiteindelijk de rechter knopen moet doorhakken. Als deze wet werkelijkheid wordt kan de minister zijn mouwen opstropen.

Ouderparticipatie-crèches
Dit is kinderopvang waarbij ouders om de beurt elkaars kinderen opvangen. Rechts-ongelijkheid ontstaat, omdat OPC’s niet voldoen aan de geldende eisen in de Wet Kinderopvang en naar het zich laat aanzien dat straks ook niet hoeven. Kernelementen van wat de overheid als kwaliteit van de kinderopvang ziet mogen achterwege blijven: vereiste beroepskwalificatie, maximum van 3 vaste gezichten op de groep (opc’s werken vaak met ouders per dagdeel, wat kan neerkomen op 20 gezichten per week op een groep), eisen gesteld aan de binnen- en buitenruimtes en (speerpunt) de pedagogische eisen. Op meer punten worden de OPC’s vrijgesteld, waarvan we nog noemen de Oudercommissie en Geschillencommissie. Het vier-ogen principe en de meldcode is onduidelijk. Die meldcode wordt lastig in een OPC, omdat een ouder een verdenking (over een collega ouder) bij gebreke van een leidinggevende moet melden bij de vertrouwens-functionaris van de overheid of zelfs aangifte moet doen bij de politie. Vreemd is dat OPC’s (mogen) werken met stagiaires die zo niet worden opgeleid voor werken in de reguliere branche. Vrijwilligers worden in het wetsvoorstel verboden, maar de OPC’s werken daar wel mee.

De OPC’s krijgen nu een kans op de status aparte in de Wet Kinderopvang op voorspraak van de Kamercommissie en onder verwijzing naar een artikel in de Volkskrant waarin wordt beweerd dat de OPC’s net zo goed of zelfs beter zijn dan de reguliere opvang. Asscher gaat dit onderzoeken: bieden OPC’s wel/geen ‘verantwoorde’ en ‘professionele’ opvang?

Deze onderzoeksvraagstelling heeft een grote impact, om zeven redenen:

1) Het accepteert formeel de mogelijkheid dat ‘professioneel’ ook kan gelden voor niet beroepsmatig, dus niet professioneel gekwalificeerden. En als dat kan voor OPC’s dan kan dat dus ook voor de reguliere opvang. Gevolg: ongeacht de uitkomst van dit onderzoek bij de OPC’s is er nu een rechtsgrond ontstaan voor een beroep op die mogelijkheid om niet gekwalificeerde maar wel ‘professionele’ krachten in dienst te nemen.
2) Wat wel/niet ‘verantwoord’ is staat er niet bij. Dat is conform de huidige Wet Kinderopvang. Maar de minister laat prof. Fukkink een onderzoek doen naar de pedagogische kwaliteit. Dus blijkbaar is ‘verantwoord’: pedagogisch verantwoord, zoals ingevuld met de doelen van Riksen-Walraven. Maar dat staat niet in de huidige wet, wel in het wetsvoorstel van de minister. Hij neemt dus een voorschotje op zijn nieuwe wet voor de kinderopvang, Het Nieuwe Toezicht, en doet alsof die al realiteit is.
3) Daarmee stuit deze onderzoeksvraag meteen op een principieel probleem: het grondrecht van pedagogische vrijheid. En die staat zo’n toetsing door de overheid niet toe, ook niet bij de OPC’s. Het onderzoeken van de pedagogische kwaliteit kan bijgevolg niet dienen als legitieme grond voor toekennen van een status aparte: het is onrechtmatig. Dat is op zichzelf al voldoende grond voor de conclusie: er is géén grondslag voor een status aparte.
4) En als dat dan ook nog wordt uitgevoerd volgens een willekeurig gekozen pedagogische benadering, die van Riksen-Walraven, uit de afdeling van prof. Fukkink, dan is er sprake van opgelegde staatspedagogiek, geen open onderzoek dat ruimte laat aan andere invalshoeken en termen. Terwijl een wettelijke grondslag voor deze specifieke keuze in de huidige Wet Kinderopvang nog ontbreekt. Het is dus ook in dit opzicht een onrechtmatige grondslag.
5) Door bovendien het onderzoek van een wetenschapper de hoofdrol te geven in de besluitvorming over rechtsposities van aanbieders (wel/niet erkend; wel/geen fiscale toeslag), wordt de context van besluitvorming fundamenteel verlegd: niet meer de wet maar het wetenschappelijk debat wordt het speelveld voor het vaststellen van de kwaliteit. Spelregels in de wetenschap schrijven voor waaraan wetenschappelijke producten moeten voldoen. En als een theorie, de concepten, uitwerkingen daarvan in meetbare items (operationalisatie), etc. daaraan niet voldoen, dan volgt wetenschappelijke verwerping: het product kan niet gelden als wetenschappelijk verantwoord. De overheid staat daarbuiten. Zij kan en mag daarin ook geen partij kiezen, of een eigen oordeel vellen, zeker als wetgever. Doet zij dat toch, zoals Asscher met zijn keuze voor de afdeling van Fukkink en Riksen-Walraven, dan is die keuze of dat oordeel direct aanvechtbaar, vanuit de context van de wetenschap. Tegenover wetenschappelijk product 1 kunnen moeiteloos andere wetenschappelijke producten worden gesteld, met gelijke of hogere wetenschappelijk waarde. Het onderzoek in opdracht van Asscher is dus vragen om moeilijkheden: De OPC’s kunnen het oordeel van prof. Fukkink met recht betwisten met een beroep op andere wetenschappelijke kennis en inzichten. Als besliscriterium voor de status van OPC’s is het dus drijfzand: een willekeurige basis die de feitelijke kwaliteit onbeslist laat.
6) En dat raakt niet alleen de OPC’s maar heeft gevolgen voor de hele branche: ook elk kindercentrum kan nu met een beroep op wetenschap a) zich verzetten tegen elk oordeel van de GGD met haar Veldinstrument en b) een status aparte eisen. Dit alleen toestaan aan vrijwillige ouders zou neerkomen op discriminatie en rechtsongelijkheid. Die uiteraard aangevochten kan en zal worden.
7) Des te meer omdat een exclusieve status aparte voor OPC’s tevens de concurrentie vervalst: de vrijstelling van eisen uit de wet bespaart hoge kosten die de reguliere opvang wel verplicht moet maken. OPC’s zijn daardoor veel goedkoper. Nu zijn het er nog slechts 6 of 7 maar niemand kan voorspellen hoe dat in de toekomst zal zijn: de ‘goedkope vrijgestelden met behoud van de fiscale toeslag’ kunnen in principe explosief in aantal groeien. Het is immers financieel heel aantrekkelijk: je kan zomaar € 20.000 euro per jaar besparen, terwijl jij als ouder maar 1 dagdeel hoeft mee te draaien, een dagdeel waarvoor je ook gewoon fiscale toeslag krijgt want je kind wordt opgevangen. Dat is aanleiding voor een gerechtvaardigde klacht bij de Autoriteit Consument en Markt. Maar toont ook aan hoezeer een (exclusieve) status aparte van OPC’s de professionele kinderopvangbranche kan ondermijnen. Wie durft dat op voorhand uit te sluiten? De minister vreest bovendien de komst van een nieuwe fraude-val. Een gerechtvaardigde vrees. Want de hoofdreden voor deelname aan een OPC is de goedkoopte. Net als opvang door gastouders of door grootouders. En waar alleen geld de doorslag geeft vinden kwaadwillende burgers altijd een fraudeweg, in elke maatschappelijke branche. En het helpt echt niet dat Fukkink in zijn onderzoek de vraag meeneemt: om weke reden kiest u voor een OPC? Het antwoord daarop is sociaalwenselijke zelfrapportage die niets zegt over de werkelijke motieven. Dus minister en Kamerleden: bezint voor u begint.

Nettoresultaat van de gevolgde koers richting legalisering van de OPC’s:
I. De overheid schendt de vrijheid van pedagogiek en schept rechtsongelijkheid die zij voor de rechter niet zal kunnen verdedigen.
II Iedere aanbieder van kinderopvang kan derhalve vrijstelling eisen van de regels in de Wet Kinderopvang (m.u.v. enkele regels inzake Veiligheid): zijn eigen kwaliteitssysteem opzetten, zijn eigen pedagogische principes volgen, ongekwalificeerde krachten aanstellen en zijn eigen interne scholing regelen.
III. De Wet Kinderopvang in zijn huidige vorm kan dus worden opgeheven, evenals het daarop gestoelde toezicht door de GGD.

Beterschap…..
Goede kinderopvang in Nederland behoeft geen aantasting van fundamentele waarden als vrijheid en gelijkheid. En een ‘implosie’ van de kinderopvang is te voorkomen. Welke beterschapspunten zien wij?

I
Garandeer de grondwettelijke vrijheid van pedagogiek en laat de pedagogische doelen/aspecten van Riksen-Walraven (respectievelijk NCKO) dus uit de wet. Dat voorkomt juridisch opeisen van dit recht, toont respect voor burgerrechten en andersdenkenden en laat zien dat de overheid haar verantwoordelijkheid jegens jonge kinderen serieus neemt: alleen de beste pedagogische aanpak is goed genoeg. Hef vanuit dit grondrecht en die verantwoordelijkheid tevens de pedagogische curatele door de GGD op en laat het omstreden Veldinstrument vervallen. Met het vrijgeven van de pedagogiek vervalt tevens de dreiging van rechtsongelijkheid: subjectiviteit wordt uit de wet geweerd en de beoogde grond voor een status aparte voor de OPC’s vervalt. Zo wordt een implosie voorkomen.

II
Wordt voorloper in Europa. Vaar niet blind op beleid in buitenlanden, zoals Denemarken, zonder te weten hoe dat in werkelijkheid uitpakt voor kinderen en zonder je rekenschap te geven van de verschillen tussen de landen (die groter zijn dan de overeenkomsten). Neem de universele gegevens over kinderen, zoals gebleken in onbetwiste wetenschappelijke kennisbestanden, als uitgangspunt en onderzoek wat daarbij nodig is. Dat gebeurt nog nergens. Ga daar dus werk van maken. Doe dat niet van bovenaf opgelegd of via vastgeroeste kanalen van belangenpartijen (waaronder het NCKO) maar samen met de opvangorganisaties zelf. Kies als wetgever dus niet zomaar partij in wetenschappelijke meningsverschillen door aan één specifieke opvatting voorrang te geven vanwege geïnvesteerde belangen. Maar geef daarin het wetenschappelijk debat de ruimte en doe dat niet over de kinderopvang, zoals nu, maar in de kinderopvang en met de kinderopvang.

III
Evalueer de rol en de kwaliteit van het toezicht. Dat is doorgeslagen en wat er zich afspeelt onttrekt zich aan het zicht van buitenstaanders. Open dus die ‘black box’ en organiseer een controle op kwaliteit van toezicht, niet alleen op kwantiteit. Daar valt nog veel te winnen. Vervang dwang voor motivatie en draagkracht. Kies voor een heel andere leest met meer ruimte voor zelf-evaluaties van houders die vervolgens eigen verbeterdoelen stellen en kies voor toetsen op ontwikkeling en vooruitgang. Doe dat steunend i.p.v. afwijzend. Dwang en sancties remmen het gemotiveerd werken aan professionaliteit. En gelet op de lage overtredingsgraad (oneigenlijke ‘overtredingen’ niet meegerekend), is er ook geen noodzaak voor een zwaar opgetuigd toezicht. Dat geld kan beter worden gestoken in een positief getoonzette impuls voor professionalisering van de branche. Neem een voorbeeld aan de Onderwijsinspectie in het onderwijs.

IV
Kies structureel voor het kindbelang, laat dit niet ten koste gaan van belangen of voorkeuren van partijen of de politiek. Neem daarbij geen genoegen met face-value argumenten of common sense gedachten en redeneringen. Neem de resultaten van opdrachtonderzoek, gestuurd door belangen niet ‘for granted’, zoals onderzoek naar het Veldinstrument en het Risico-profiel van de GGD. Bestudeer de kwaliteit ervan zodat de resultaten ‘op waarde’ kunnen worden geschat.

Ontbreekt voldoende kennis van zaken wees dan bescheiden en neem geen besluiten over dit belangrijke onderwerp.

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

1 Reactie op “NIEUWE WET KINDEROPVANG: OPC’s

  1. ..Want de hoofdreden voor deelname aan een OPC is de goedkoopste. Net als opvangdoor een gast
    ouder of grootouder..
    Jammer dat de gastouder, tegenwoordig als kundig professional met kwaliteitseisen, op deze manier wordt geschetst. Kwaliteit in kinderopvang ontwikkelt zich zeker in de gastouderopvang.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *