HET KIND VERLOREN IN HET POLDERMODEL

Regelmatig komen wij beweringen tegen over wat ‘goed zou zijn’ voor kinderen en de kinderopvang. Als je daar op door vraagt, dan merk je vaak een gebrek aan kennis over kinderen en hun ontwikkeling in combinatie met sterke persoonlijke overtuigingen of uitgesproken belangen. Bijvoorbeeld dat kinderopvang in verticale groepen van 0-4 jaar beter is voor de ontwikkeling van kinderen, dat je kinderen niet vroeg genoeg kunt leren te gehoorzamen en te beseffen wat wel en niet mag. Of dat kinderopvang te duur is en uit op zoveel mogelijk winst in plaats van op goede zorg voor kinderen. Dat uurtje-factuurtje opvang goed is omdat ouders dat willen en ‘ouders het beste weten wat goed is voor hun kind’. Zulke uitspraken zeggen meer over de persoon die het zegt dan over kinderen of kinderopvang. De eigen opvoeding, (politiek)ideologische of religieuze overtuigingen, eigenbelangen of groepsbelangen, spelen regelmatig een rol bij meningen over kinderen en kinderopvang. Dat is altijd nadelig, want de ideologie of de belangen zijn dan het vertrekpunt, met eisen waaraan het kind moet voldoen of waaraan het ondergeschikt moet zijn. Dat zie je ook in de kinderopvang. Van alles is daar besloten over ‘wat goed zou zijn’, uiteraard in het vertrouwde poldermodel. Wie zijn die polderaars (zogeheten stakeholders) en wat heeft dat polderen opgeleverd voor kinderen?

De minister en zijn ambtenaren hebben te maken met partijpolitieke ideologie of politiek-bestuurlijke belangen en financiële belangen (kosten voor kinderopvang). De focus is sterk belangengericht: partijpolitiek, rust in het kabinet en het voorkomen dat de minister politiek uitglijdt. De belangenkeuzes schieten dan ook van hot naar her. De ene keer staat ‘gratis kinderopvang voor iedereen’ op de agenda, direct gevolgd door juist een ‘forse kostenverhoging’ voor ouders. Nu eens piekt de ‘werkgelegenheid voor vrouwen’, dan weer ‘rechten voor ouders’. Staat Estro in het nieuws, dan moet ineens ‘de winst van ondernemers’ worden aangepakt en hun ‘handelingsvrijheid verder ingeperkt’. De speerpunten van dit moment zijn: meer ouderrechten, meer ‘kwaliteit’ en meer toezicht maar dan wel anders. Dat klinkt best aardig. Maar dienen ze ook het kindbelang? Nee. De ervaring leert dat geïnvesteerde belangen van de stakeholders juist blokkeren wat nodig is voor een goede opvang die garant staat voor het welzijn van het kind. De gemaakte keuzes zijn opportunistisch en ontberen kennis van zaken: over kinderwelzijn en wat daar echt voor nodig is, over de echte risico’s die er zijn en welke eisen en maatregelen dat vraagt. Het vergroten van die kennis staat niet op de politiek agenda, nu niet en nooit.
Verrast door succesvol juridisch verzet van een ondernemer tegen eisen van de Wet Kinderopvang vraagt de minister zich niet af of het verzet inhoudelijk terecht is maar jaagt hals over kop een reparatie-wet door de Kamer die dit in de toekomst voorkomt. De eisen kregen kracht van wet, dát was het politiek belang, niet of die eisen inhoudelijk ook deugen. En nu zitten we daardoor met een Staatspedagogiek, met dwingende maar onoordeelkundige pedagogische doelen, vol grote vergissingen over ontwikkeling en behoeften van kinderen (meer hierover in ‘Staatspedagogiek stelt foute doelen’ en ‘Staatspedagogiek: vier vergissingen’). Daar wordt luchthartig over gedaan, door hetzelfde gebrek aan kennis. En zelfs toen de minister – van buiten het poldermodel – de wetenschappelijke tekorten ervan netjes op een rij kreeg, deed hij niets. Het kindbelang was niet zijn belang. Het ‘herijken van de kwaliteitseisen’ in de wet was weliswaar speerpunt van de minister maar daar hoorde dit kindbelang kennelijk niet bij, want het moet politiek niet te ingewikkeld worden. De minister kon zich ook verschuilen achter ‘de branche’ want die had deze doelen zelf gekozen en ze waren aangedragen door professor Riksen-Walraven. Dus zijn ze goed en waar. Dat elke wetenschappelijke inbreng altijd onderwerp moet zijn van wetenschappelijk debat, is iets voor de wetenschap niet voor de politiek, zo heeft de minister wellicht gedacht. Maar Riksen-Walraven negeerde met haar keuze veel fundamenteel wetenschappelijke kennis over kinderen, ontwikkeling en behoeften. En zij koos wetenschappelijk ondermaatse concepten terwijl er breed aanvaarde concepten voorhanden zijn die al decennia hun dienst hebben bewezen. Door de reparatie-wet van de minister staan de omstreden keuzes van Riksen-Walraven nu dus in de wet. De overheid als wetgever koos wetenschappelijk partij! Dat mag zij niet. En het pakt ook slecht uit voor kinderen.
Er is nu een wetenschappelijke controverse over pedagogische doelen, hun uitwerking in strikte regels en in een toetsingsinstrument van de GGD. De Nederlandse overheid heeft één visie in de wet vastgelegd en snoert met deze Staatspedagogiek andersdenkende wetenschappers de mond: zij moeten zich gewoon houden aan de wet, aan die staatsdoelen. De wetgever is daarmee haar boekje ver te buiten gegaan: zij mag geen standpunt innemen over pedagogiek en opvoeding! Aanbieders en ouders verliezen daarmee hun eigen vrije keuze voor de opvoeding van hun kinderen. Dat tast een grondrecht aan (zie: Tussen wet en werkelijkheid). De minister weet dit, want hij is jurist en van buiten het poldermodel is hem dit onder de aandacht gebracht. Maar polderbelangen wegen zwaarder, zelfs voor minister Asscher die zich graag profileert als een minister die kwaliteit in de kinderopvang substantieel wil verhogen. Hij verbindt zijn naam aan het nieuwe toezicht dat zich richt op ‘het proces van de pedagogische praktijk’, naar de maatstaven van Riksen-Walraven. Dat moet ergens in 2016 van start gaan en alle inspecteurs krijgen daar een observatie-training voor. De hierin geïnvesteerde belangen van de polderaars zijn groot. De minister en de GGD zijn daarom niet bereid hun plannen op te geven voor de kinderrealiteit en voor het bewerkstelligen van echte kwaliteit. Afgezien van de schending van basisprincipes van een democratische rechtsstaat, brengen de staatsdoelen, de erover uitgewerkte regels en het nieuwe toezicht erop de veiligheid en het welzijn van kinderen geen stapje dichterbij.

De GGD, de toezichthouder heeft zo haar eigen belangen. Te beginnen met haar eigen bestaansrecht. Dat staat of valt met voldoende ‘overtredingen’, want zonder ‘overtredingen’ geen groot opgetuigd GGD-toezicht. En daar zit nu een beetje de klad in. De GGD kon dit nog een tijdje kunstmatig opvoeren met opleggen van eigen regels en eisen (en dan doen alsof het om de wettelijke eisen ging), die flink aantikten, maar dat is nu aan het licht gekomen (zie: Zeg ook eens nee tegen de GGD en  ‘Gij zult niet schuiven’). Denk daarbij aan de oudercommissie, de stamgroep en beroepskracht-kindratio, het vier-ogenprincipe. De feitelijke overtredingen zijn minimaal. In het polderhuis wordt dit hooguit even aangekaart, maar de GGD wordt verder ongemoeid gelaten. Er is geen zichtbare behoefte bij de polderaars het onbetrouwbaar optreden van de GGD aan een onderzoek te onderwerpen en het in de toekomst in te perken.
De GGD als stakeholder in de kinderopvangpolder verzet nu haar bakens: toetsing van ouderrecht en van het pedagogische proces in de praktijk. Dat ouderrecht moet feitelijk op de schop omdat de ouder juridisch gezien géén cliënt is in de zin van de Wet Cliëntenrechten zorg, maar wèl consument, reden waarom de Consumentenbond tegenwoordig zo actief is in de Kinderopvang (meer informatie hierover vind u in ‘De consument in de oudercommissie‘). In het polderhuis is echter afgesproken: we doen of onze neus bloedt. In het wetsvoorstel ‘Versterking positie ouders in de kinderopvang’ noemen we het beestje niet bij de naam maar houden we het op ‘ouders’, zodat niemand weet dat we met die wet een juridisch onhoudbaar construct voorstaan: de consument-cliënt. Dan kan de GGD blijven toetsen op cliëntrecht en BOinK samen met de Consumentenbond op consumentrecht (geschillencommissie). Zo behoudt elke partij zijn ‘bestaansrecht’. Het kindbelang speelt in dit polderspel geen rol.
Maar ook het toetsen van de pedagogische proceskwaliteit is juridisch niet zoals het hoort, want in strijd met pedagogische vrijheid zoals vastgelegd in de Grondwet en het EVRM, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (‘Tussen wet en werkelijkheid’ gaat hier in meer detail op in). Toch wordt dit extra uitgebreid in plaats van teruggedrongen. Voor de GGD zou anders weinig overblijven om te toetsen. Voor ondernemers en voor kinderen is dit allemaal zeer nadelig, maar dat telt niet aan de poldertafel. De GGD stoomt, met steun van de minister, haar toezichthouders klaar voor het onrechtmatig ‘toetsen’ van de onwetenschappelijke en foute doelen van de staatspedagogiek, met een aantoonbaar onwetenschappelijk toetsingsinstrument (het veldinstrument) dat valide noch betrouwbaar bleek (zie: Onderzoeksrapporten voor de bühne). Het maakt de GGD niet uit, en ook de minister niet, die in zijn verzamelbrief van 17 november liet schrijven dat het wèl gevalideerd zou zijn. Een leugentje om bestwil onder polderaars.
Met het ‘risicoprofiel’ van de GGD is het niet anders. De inspecteurs voorzien ondernemers van een etiket, zoals het uitkomt voor het GGD-budget. Het zou ‘overtredingen’ voorspellen en wordt daarom gekoesterd. Maar echte risico’s meet het niet en gemeten langs de wetenschappelijke lat blijkt het profiel betrouwbaar noch valide. Het bevestigt bovenal het (voor)oordeel van de inspecteur aldus het onderzoeksrapport van Nivel (2014) (zie: Onderzoeksrapporten voor de bühne). Polderen is een machtsspel en daarin gelden wetenschappelijke regels niet. De minister schrijft in zijn verzamelbrief van 17 november: de voorspellingskracht van het risicomodel is positief beoordeeld! Weer zo’n leugentje van polderaars onder elkaar.

Ook BOinK (belangenvereniging van ouders in de kinderopvang) blaast mee in het polderorkest. Zolang zij bestaat heeft zij nog nooit echte zorg getoond voor of een bijdrage geleverd aan kinderwelzijn. Haar eerste zorg is: het eigen voortbestaan. En die spreekt niet vanzelf (achterban: slechts 27% van de OC’s). BOinK vertegenwoordigt ouders, maar ouders zijn een amorfe, niet te organiseren groep, die de kinderopvang inkomt en weer verlaat. BOinK heeft daarom belang bij de ouder als ‘cliënt’, met cliëntrecht op medezeggenschap, dus een oudercommissie (OC). Zo lang die wettelijk verplicht is zit BOinK aan de poldertafel, met een ‘achterban’, hoe klein dan ook. Er is haar dus alles aan gelegen dat zo te houden. In het polderlandschap kan BOinK haar eigenbelang (als ‘ouderbelang’) makkelijk naar voren schuiven, omdat het elke andere stakeholder legitimeert: ook aan ouders is gedacht!
Niemand van de tafelgenoten maakt zich druk over het basispunt dat ouders geen cliënten zijn en dat cliëntrecht dus niet op hen toepasbaar is, of dat een OC weinig tot niets toevoegt aan het functioneren van de kinderopvang, zeker niet aan het welzijn van kinderen (meer hierover in ‘De consument in de oudercommissie’). Anders dan beroepskrachten zijn ouders niet voor pedagogisch werk opgeleid en hebben geen zicht op wat er overdag op de groep gebeurt.
Ouders zitten ook niet echt te wachten op de behartiging van cliëntbelangen in de OC en voelen zich eerder klant met een consumentenbelang dan cliënt. Formele klachten van ouders, zo blijkt uit de cijfers, zijn consumentenklachten en gaan over consumentenrecht (geld en contracten) (zie ook: Geld, dát telt: de ouder als consument ). BOinK speelt daarop in: eerst met het propageren van ‘flexibele’ opvang, geen uren betalen die je niet afneemt, per uur een plekje reserveren en betalen, want ‘ouders betalen teveel’. BOinK zweeg over de schade voor kinderen van dit soort opvang. Ze liet ouders in de waan dat het allemaal niet uitmaakt voor hun kinderen. Daarna werd de opzegtermijn een consumenten issue: met de Wet Van Dam in de hand en met de Consumentenbond zocht BOinK ‘financieel voordeel’ voor ouders (1 ipv 2 maanden opzegtermijn). Dat blijkt in werkelijkheid allemaal anders uit te pakken, tenminste als je de Wet Van Dam echt volgt! (voor verdere uitweiding zie ‘Tussen wet en werkelijkheid’) En ouders met 1 jarige contracten verliezen bovendien de plaats-zekerheid die zij daarvoor hadden, met een 4 jarig contract. Maar daarover hoor je BOinK tot op heden niet. In de polder liep de Brancheorganisatie gedwee mee met BOinK: leden van de Branche-organisatie verplichten zich, ten onrechte, tot 1 maand opzegtermijn.
Ten behoeve van haar eigen voortbestaan zet BOinK nu zonder schaamte in op de consument-cliënt, met een geschillencommissie èn een oudercommissie. De minister dient met zijn wetsvoorstel ‘Versterking positie ouders in de kinderopvang’ dus meerdere polderbelangen: GGD en BOinK.

De Brancheorganisatie van de ondernemers, maakt het allemaal niet zo heel veel uit, zij polderen mee, maar staan als het erop aan komt nergens voor. Ook háár achterban is klein (30%). Zij is vooral tegenspeler van de vakbond, met Cao-onderhandelingen, maar lijkt zich verder geen echt doel te stellen. Zij toont geen eigen denkkracht en pedagogische expertise  en is geen partij voor het ministerie, de GGD of BOinK. De Brancheorganisatie drijft mee op de stroom en gaf zonder morren en misschien wel zonder het te beseffen de pedagogische vrijheid van haar leden weg door aan het eigen Branche-convenant (dat op vrijwillige basis en zelfregulerend de kwaliteit van de opvang regelde) kracht van wet te laten geven. Weg vrijheid van pedagogiek. En dat is zoals we hiervoor al schreven, beslist nadelig voor de kinderen want de Staatspedagogiek die we nu hebben voorziet niet in hun welzijn.
De Brancheorganisatie treedt niet op als de GGD haar leden benadeelt met eigen regeltjes in het toezicht. Ze kijkt toe als de GGD van haar toezicht een perverse gehoorzaamheidsprikkel maakt voor ondernemers (zie: Zeg ook eens nee tegen de GGD). Niet alleen haar leden maar alle ondernemers worden hierdoor aangezet te kiezen voor een overlevingsstrategie (organisatiebelang) in plaats van voor professionele ethiek. Ze verzet zich evenmin tegen ‘prijspakker’ BOinK en machtsblok GGD die vooroordelen over de ondernemer in de kinderopvang (‘geldbelust’) breed uitmeten. Zonder met feiten te komen roepen die al jaren dat de houder (ondernemer) met zijn ‘commerciële belangen’ zich niet om kinderen bekommert en zich zonder dwang niet aan wet en regels houdt. Aan de poldertafel volstaat een opmerking als ‘ik heb wel meegemaakt dat….’, en dan volgt een voorbeeld van een ‘overtreding’ van door de GGD zelf verzonnen regels. Een incident (neem Estro) is ook voldoende: zie je wel, die ondernemers deugen niet! En niemand aan de poldertafel voelt de behoefte (net als bij het kinderwelzijn) om dit nu eens nader te onderzoeken, te kijken wat de feiten zijn: klopt dit beeld van ondernemers eigenlijk wel? We zien inmiddels dat dit voortkomt uit eigenbelang: deze leden van de poldertafel hebben baat bij dit vooroordeel, maar waar blijft de Brancheorganisatie?

De VNG, de vereniging van Nederlandse gemeenten zit ook aan tafel. Zij spreekt namens alle gemeenten in Nederland en verdedigt de gemeentelijke belangen van handhaven bij overtredingen. De VNG schrijft ook beleidsregels voor de GGD toezichthouders, de GGD-inspecteurs zijn immers ook ambtenaren in dienst van de gemeenten. Tussen VNG en GGD is dan ook geen echte scheidslijn: ze houden elkaars handen vast. Dat zie je ook bij de zogenaamde scheiding van ‘toezicht’ (GGD) en ‘handhaving’ (gemeente). In werkelijkheid is het in veel regio’s zo geregeld dat de gemeente haar handhavingsbevoegdheid heeft gedelegeerd aan een ambtelijk functionaris van de GGD, een directe collega van de GGD-functionaris die over het toezicht gaat. Die zien en spreken elkaar dagelijks of wekelijks en zo krijgt elk serieus bedoeld handhavingsadvies vanuit het toezicht vrijwel ongezien het akkoord van de handhavings-functionaris. Dat geldt omgekeerd ook voor pro forma handhavingsadviezen die geen echte handhaving beogen, maar wel leuk meetellen voor de profielkleur van de houder en de prestatie van de toezichthouder. De toezichthouder kan er op vertrouwen dat er dan geen handhaving op volgt. Toezicht en handhaving zijn in deze constructie één pot nat (lees hier meer over in ‘Onderzoeksrapporten voor de bühne’). De GGD als almachtige aanklager èn rechter maakt de burger-ondernemer kansloos. Die positie van de GGD is des te sterker omdat de gemeenten zelf slechts selectief en mondjesmaat toegang krijgen tot informatie over de toezicht- en handhavingspraktijk. Zij zijn wel goed voor de man-uren die de GGD inzet of begroot op basis van hun zelf verkozen kleurcodes in de risicoprofielen. In de enkele regio waar beide taken (nog) echt gescheiden zijn klaagt de GGD steen en been bij de onderwijsinspectie: die gemeenten volgen haar handhavingsadviezen niet zomaar.

Voor de periodiek aanschuivende stakeholders tenslotte, zoals de vakbond, is het kindwelzijn ook geen issue, want zij staan voor de belangen van het personeel in de kinderopvang, met vanzelfsprekend een financiële agenda. Ook arbeidsrechten van leidsters gaan vóór kinderbelang.

Conclusie
Echte kind-betrokkenheid en nieuwsgierigheid die wil weten hoe iets zit, ontbreekt in de polder. De polderende stakeholders belijden lippendienst aan het welzijn van kinderen en verdedigen feitelijk slechts hun eigen deelbelangen. Kinderen en goedwillende ondernemers zijn daar slachtoffer van. En minister Asscher schrijft met droge ogen in zijn kamerbrief: ondernemers hebben van nature een organisatiebelang, maar dat mag niet ten koste gaan van kindbelang! En daarom houdt hij vast aan basis-eisen in de wet en 100% toezicht. De polderende stakeholders kunnen dus gerust en tevreden zijn.

 

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *