FABELS OVER KWALITEIT EN VEILIGHEID

In de recent verschenen beleidsdoorlichting kinderopvang evalueert het ministerie haar beleid, met het hoofddoel arbeidsparticipatie, en kijkt ook naar kwaliteit en veiligheid. Een nauwkeurige lezing en beoordeling van de doorlichting leert: het ministerie suggereert veel goeds over zichzelf maar maakt die suggesties niet waar. Met dit beleid is naar schatting 70 miljoen gemoeid voor de overheid en de branche samen. We houden de maatregelen tegen het licht en beoordelen het resultaat. Onze conclusie: de beleids-doorlichting is van onvoldoende kwaliteit, de doelen zijn niet gehaald, er wordt veel geld verspild.

Veiligheid: voorkomen kindermisbruik
Naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak en de adviezen van de commissie Gunning heeft het ministerie de afgelopen jaren vooral ingezet op die veiligheid, aldus de doorlichting. Het gaat dus om een heel specifiek soort veiligheid: het voorkomen van seksueel geweld tegen kinderen in de opvang. Maatregelen waren: de continue screening, de vertrouwensfunctionaris, de meldcode en het vier-ogen principe. Wat heeft dat feitelijk opgeleverd?

Continue screening:
De doorlichting noemt deze screening ‘effectief’. Dat zou blijken uit de Kamerbrief van minister Asscher (28 november 2013) en zijn verzamelbrief (17 november 2014): er waren 124 signalen en die zijn bijna allemaal opgelost doordat de betrokken personen niet meer in contact staan met de opgevangen kinderen. De lezer wordt hier misleid, want de beschikbare cijfers daarover laten dit beslist niet zien. Minister Asscher meldt in zijn twee brieven dat er sinds de start (1 maart 2013), dus in bijna 2 jaar, (slechts) 124 signalen waren dat er mogelijk iets mis was met een persoon die een VOG aanvroeg. Dat is heel weinig, gerekend naar het aantal mensen werkzaam in de kinderopvang, eind 2014 geschat op 149.814 (inclusief gastouders), namelijk: 0.08%. Van die 124 signalen bleken er 20 misplaatst en meteen afgehandeld, rest: 104 signalen. De door Justis (screeningsautoriteit) afgegeven signalen richten zich bovendien niet op zedenmisdrijven maar op strafbare feiten inzake: drugs, geweld, zeden, wapens en overig. Strafbare feiten zijn geen misdrijven maar overtredingen, zoals bv een verkeersovertreding. En een strafbaar feit tegen de zeden (‘overtreding jegens de zeden’) is géén zedenmisdrijf (zoals seksueel geweld of misbruik) maar gaat bijvoorbeeld over: burengerucht, openbare dronkenschap, baldadigheid, vernielingen etc. Van de 104 signalen ging het bij 24 om dit soort overtredingen, rest: 80 signalen. 30 daarvan gingen over strafbare feiten die niet vallen onder geweld, zeden of drugs, zo schrijft Asscher in zijn verzamelbrief. Mogelijk zijn dat verkeersovertredingen want die komen ook in een strafblad als ze iets verder gaan dan een beetje te hard rijden. We houden nog 50 meldingen over, in bijna 2 jaar. Bij de 16 signalen over drugs zijn ook opgenomen de jongeren die zijn betrapt op Lowlands met wat softdrugs en die op aandringen van de agent ter plekke een schikkingsvoorstel aanvaarden zonder te beseffen dat dit een strafblad oplevert. Hoeveel serieuze signalen inzake drugs dan nog overblijven is ongewis. We geven het ministerie het voordeel van de twijfel en schatten ruimhartig: 8 signalen. Rest: 42 signalen in bijna 2 jaar (0.02%), over geweld en wapenbezit (3). Dat wordt niet nader gespecificeerd maar kan gaan over hooligans, aanvaringen tussen jongeren op straat of iets dergelijks. Vast staat evenwel: het heeft allemaal niks te maken met kinderen thuis of in de opvang, noch met zedenmisdrijven waarvoor de continue screening was bedoeld.
Het nettoresultaat van de continue screening als preventiemiddel in zedenkwesties in de kinderopvang is dus nihil. Niet erg verrassend want het misbruik-risico ligt vooral buiten de kinderopvang: in familiale kring, in de kerk, bij de sport/zwemclub, in de jeugdzorg, pleegzorg etc. Hierover zijn goed gedocumenteerde feiten. Minister Asscher schreef over dit nul-resultaat echter de gedenkwaardige woorden: “ik constateer dat het systeem van continue screening functioneert zoals beoogd.” Hij beoogde blijkbaar niet veel.
De doorlichting probeert er toch nog wat van te maken en spiegelt het nul-resultaat voor als een ‘verhoogde’ veiligheid van kinderen. Daar had de schrijvende ambtenaar wel een talige bocht voor nodig, want ineens gaat deze maatregel niet meer over zedenzaak of commissie Gunning, maar is het een systeem dat mensen die ernstige overtredingen begaan op het gebied van zeden, geweld en drugs, snel in beeld brengt. Grote woorden dus voor een nul-resultaat op zedendelicten, Lowland pubers en jong-volwassenen met wat wiet, verkeersovertreders, openbare dronkenschap en niet nader gespecificeerde ‘geweldsdelicten’ tussen jongeren op straat. De screening is vooral een stigmatisering van mensen die een keer de bocht uit zijn gevlogen en voor alle duidelijkheid: niet met kinderen.
Het ministerie speelt een spelletje met deze feiten, want zij moet haar beleid verdedigen en haar voornemen legitimeren om per 2016 een alomvattend personenregister op te tuigen van iedereen in en om de kinderopvang. De minister grijpt diep in de privacy in, zonder dat 1 kind in de kinderopvang er ‘veiliger’ van wordt. Dat laatste hoeft ook nauwelijks, want zoals gezegd: de kindercentra waren en zijn de veiligste plek als het gaat om seksueel misbruik/geweld. En dat maakt het falend beleid alleen maar ernstiger. De gemaakte kosten hebben in elk geval vrijwel niets opgeleverd.

De vertrouwensfunctionaris:
De beleidsdoorlichting is hierover zeer uitgesproken: de kinderopvang is dankzij deze functionaris aantoonbaar veiliger geworden, kijk maar naar de eerder genoemde brieven van Asscher. De daarin vermelde data wijzen echter wederom op het tegenovergestelde: het resultaat van de vertrouwensfunctionaris voor de veiligheid is nihil. Wat zijn de (beperkte) cijfers? In 16 maanden waren er 125 meldingen van een vermoeden. In 54 gevallen betrof het vermoeden: fysiek geweld (mishandeling), in 26 gevallen: seksueel misbruik. Geen van de meldingen bleek terecht. Ook niet bij de vermoedens van ‘seksueel overschrijdend gedrag’ (dat blijkt te gaan om kinderen onderling, met 20 meldingen door volwassenen), psychisch geweld (blijkt pesten te zijn, 6 meldingen). Slechts in ‘een aantal gevallen’ (2? 3?) werd door de vertrouwensfunctionaris geadviseerd om aangifte te doen. In vrijwel alle gevallen adviseerde de vertrouwensfunctionaris een gesprek tussen houder en ouder en als dat niet hielp een klacht indienen bij de externe klachtencommissie. Het waren dus klagende ouders die zich gewoon via de bij wet voorgeschreven klachtenprocedure hadden kunnen laten horen, maar zich meldden bij de vertrouwensfunctionaris. De 125 meldingen droegen in de praktijk niets bij aan de veiligheid van de kinderen. Het is wel schokkend om vast te stellen hoe gemakkelijk het is om iemand van ernstige feiten te beschuldigen. Door haar insteek draagt het ministerie daar sterk aan bij: het is gevaarlijk in de kinderopvang, ook al blijkt dat uit geen enkel feit. Het zijn gemaakte kosten zonder resultaat.

De meldcode:
De meldcode is in principe een goede zaak, ook al blijken de meldingen bij de vertrouwensfunctionaris weinig realistisch. Maar melden doe je eerst intern, en dat is een grote stap vooruit, juist ook als het gaat om ouders of eigen collega’s. Het nuttig effect zou veel groter kunnen zijn als de meldingen over ouders ook daadwerkelijk worden opgepakt door de daartoe ingestelde instanties zoals AMK, zonder dat er allerlei voorwaarden vooraf worden gesteld. Voorwaarden die de relatie tussen de kinderopvang en de ouders verstoren of aanleiding zijn voor ouders om hun contract op te zeggen en te vertrekken en uit het zicht te verdwijnen. Zoals het nu gaat is de meldcode contraproductief.

Het vier-ogenprincipe:
De doorlichting meldt hierover geen enkel heuglijk resultaat. Dat is er ook niet, want deze maatregel is voor het grootste deel van de branche geheel overbodig. Mannen werken er nauwelijks meer en het grootste knelpunt bij kindvijandig handelen door beroepskrachten is niet de (on)zichtbaarheid van de medewerker maar het gebrek aan oog voor de signalen van kinderen en de moed om elkaar feedback te geven. Overigens lezen wij in de doorlichting dezelfde fout die veel GGD-inspecteurs maken: het gaat niet om ‘gezien of gehoord worden’ maar om ‘gezien of gehoord kunnen worden’. GGD GHOR is daarover duidelijk, net als de regelgeving, en toch wordt de kinderopvang lastig gevallen met eisen van inspecteurs die strijdig zijn met de regelgeving. Zie ook het rapport van Panteia (2014) over de last van de regelgeving voor de branche, waarin staat dat deze inspecteurs de opvang onnodig op hoge kosten jaagt. En niet 1 kind wordt er veiliger door. De gemaakte kosten hebben niets opgeleverd.

Onze doorlichting van het veiligheidsbeleid van minister Asscher: veel geld, inspanning en grote woorden zonder noemenswaardig veiligheidseffect. Kort gezegd: veel weggegooid geld.

Kwaliteit
De doorlichting meldt op bladzijde 4: de basiskwaliteit van de kinderopvang in Nederland lijkt gemiddeld. ‘Lijkt’ gemiddeld? Kan dus ook ‘goed’ lijken? Blijkbaar valt er door de doorlichter geen zinnig woord over te zeggen. Dat geldt onverkort voor de doeltreffendheid van het kwaliteitsbeleid van de minister (draagt dat iets bij aan deze ongewisse kwaliteit?) en de doelmatigheid ervan (kan het met minder inzet/middelen?), want, zo verzucht de schrijver van de doorlichting: het is allemaal niet ‘aantoonbaar’. Dat weerhoudt hem niet van boude beweringen (hoofdstuk 6), zoals u hieronder kunt lezen:

Toezicht & Handhaving: aantal overtredingen
Het ministerie geeft veel geld uit aan het toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen in de wet. En ook de branche maakt hoge kosten daarvoor. Wat levert dat op?

De beleidsdoorlichting meldt: ‘het geïntensiveerde toezicht heeft eveneens tot resultaten geleid’. Wat blijkt? Onder druk van de onderwijsinspectie is het toezicht door de GGD beter op orde en er wordt nu eindelijk voor 96% daadwerkelijk jaarlijks geïnspecteerd. Dat is mooi, maar tot welke resultaten heeft dat geleid? Welnu: het aantal handhaving-adviezen voor de kinderopvang is gedaald (minder overtredingen: van 55% naar 33%) en dat schrijft de doorlichting rechtstreeks op het conto van het verbeterde toezicht (meer inspecties). Een wonderlijke, ongeloofwaardige ‘causaliteit’, die niet is onderzocht. Niemand kan zeggen of er een verband bestaat tussen aantal inspecties en aantal overtredingen, laat staan of dit een causaal verband is. Wèl weten we inmiddels dat met name de veel voorkomende ‘overtredingen’ géén overtredingen zijn in de zin van de wet, zoals over de stamgroep, de beroepskracht-kindratio, de oudercommissie, het vier-ogenprincipe. De GGD bedacht hierover andere, eigen eisen, dan die uit de Wet Kinderopvang. Verzet daartegen blijkt zinloos want GGD-inspecteurs hebben nu eenmaal de macht om zulke verzinsels aan burgers (houders) op te leggen (niemand controleert dat), en die burgers/houders staan liever niet op internet te kijk als veelpleger of recidivist. Zij kiezen dus eieren voor hun geld. Netto-resultaat: een flinke afname van ‘overtredingen’. De kosten voor deze nepovertredingen voor de branche: +/- 27,5 miljoen. De inspectierapportages inzake overtredingen zeggen dus niets over de werkelijke kwaliteit. Gelet op het aantal èchte overtredingen (van de wet), ‘lijkt’ die kwaliteit beslist bovengemiddeld, ondanks het kwaliteitsbeleid van minister Asscher.

NCKO: de afgedwongen pedagogische doelen
De doorlichting beschouwt het gesubsidieerde NCKO (Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek) als ‘de’ wetenschap. Voor het ministerie bestaat daarbuiten klaarblijkelijk geen wetenschap op het gebied van de ontwikkeling van het jonge kind. Die is er natuurlijk wel, volop, maar het ministerie negeert dat. Uit die andere wetenschap blijkt dat onderzoek van het NCKO de toets der wetenschappelijke kritiek niet kan doorstaan, dat de pedagogische doelen van Riksen-Walraven die zij hanteert wetenschappelijk foute doelen zijn. (De minister neemt zich nb voor deze foute doelen in een staatspedagogiek dwingend op te leggen). Het onderzoek van het NCKO naar de pedagogische kwaliteit in de kinderopvang moeten we dus met een hele grote korrel zout nemen. Dat doet de doorlichting uiteraard niet. Zonder enige kritische zin en wetenschappelijke evidentie negerend, haalt zij resultaten van het NCKO onderzoek aan als aanwijzingen voor dalende of juist stijgende kwaliteit met conclusies over zogenaamde zwakke punten in de kinderopvang (begeleiding interacties en ontwikkeling stimuleren). Zonder enige aanmatiging en wel gesteund door wetenschappelijk bewijs kunnen wij zeggen: in de prullenmand ermee.
Verontrustender nog is het wegschrijven van een onderzoeks-methodologische tekortkoming. De doorlichter praat de onderzoekers na die stellen dat de gemeten kwaliteit van de kinderopvang ‘niet stabiel is’, en schrijft dat meteen toe aan de kinderopvang, niet aan het onderzoek. Uit het onderzoek van het NCKO zou blijken dat organisaties die in 2008 ‘goed’ scoorden, in 2012 ‘slecht’ zijn, terwijl in 2008 ‘slechte’ organisaties in 2012 opeens juist ‘goed’ zijn. Zo’n inconsistent en onverklaarbaar resultaat roept bij wetenschappers meteen de vraag op of de onderzoeksmethode wel deugt, betrouwbaar is (vrij van meetfouten). Belangrijke aanwijzing voor een onbetrouwbaar onderzoeksinstrument is dat bij herhaald uitvoeren van het onderzoek heel andere resultaten worden verkregen dan bij het vorige onderzoek. In dit geval zelfs tegenovergestelde resultaten. Gemakzuchtig en ten faveure van het NCKO stelt de beleidsdoorlichting geen vragen over de kwaliteit van het onderzoek, maar wijt het resultaat aan de onderzochte werkelijkheid zelf, de kinderopvangorganisaties, met de uit de lucht gegrepen stelling: in de crisistijd hebben vooral de betere kinderdagverblijven bezuinigt op kosten voor kwaliteit. De Algemene Rekenkamer verwachtte dit al in haar verantwoordings-onderzoek (2013), zo staat er, en nu ‘blijkt’ het nog waar te zijn ook. Loze beweringen, een beleidsdoorlichtingsonderzoek onwaardig. De doorlichting verbindt er wel een harde conclusie aan: de kwaliteit van de kinderopvang is niet stabiel en kan beter (blz 56).

tevredenheid ouders
Tenslotte ‘onderzoekt’ de beleidsdoorlichting de tevredenheid van ouders over de kwaliteit. Jaar na jaar blijken ouders tevreden, de enige stabiele factor tot nu toe. Dat wordt echter met argwaan bekeken in de doorlichting. Die tevredenheid kan niet terecht zijn en de doorlichting suggereert dat uit de oordelen blijkt dat ouders onvoldoende kennis hebben van de pedagogische kwaliteit en – anders dan de andere partijen (het ministerie, de GGD en NCKO) – daarom zo positief zijn. Er spreekt minachting uit voor ouders: zij kiezen voor de verkeerde dingen (nabijheid) en weten niets van pedagogische kwaliteit. De doorlichting zet de constant gebleken tevredenheid van ouders daarna weg als ‘loyaliteit’, ze zijn loyale klanten (6.4 blz 53).

Wat heeft het kwaliteitsbeleid van Asscher bijgedragen aan de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland? De bijdrage van Toezicht en Handhaving bleek nihil, zelfs eerder kwaliteit verhullend, het NCKO onderzoek toetst de verkeerde dingen en doet dat bovendien niet volgens de geldende wetenschappelijke maatstaven, en de kinderopvang krijgt ten onrechte een slechte naam. Het beleid van Asscher faalt.

Hoe nu verder?
De beleidsdoorlichting is kwalitatief onder de maat: niet veel meer dan legitimeren, dus goedpraten van bestaand beleid. Prof. Plantenga vroeg zich o.b.v. de doorlichting af of de overheid in de toekomst voldoende ‘sturingsmogelijkheden’ had met het oog op de ‘groeiende’ betekenis van de kinderopvang voor de ontwikkeling van kinderen. Een cryptische opmerking die de verantwoordelijkheid bovendien ten onrechte bij de overheid legt, want die spreekt met twee tongen: kwaliteit moet beter maar niet ten koste van goedkoopte en flexibiliteit. Belangen zijn sturend, zo toont ook de doorlichting. Nog méér overheid levert dus slechts nog méér belangen. En daar zitten de kinderen niet op te wachten. Maak dus liever ruimte voor een overwogen pas op de plaats en begin met vast te stellen wat kwaliteit van kinderopvang nu eigenlijk is, hoe ontwikkelen van kinderen in zijn werk gaat, wat er nodig is om voor kinderen een veilige pedagogische omgeving te scheppen. Onderzoek ook wat het kost om deze kwaliteit te bieden, want dát moet de prijs voor een kindplaats bepalen, en stop met alle nutteloze en geld verspillende bombast.

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *