DE CONSUMENT IN DE OUDERCOMMISSIE

De kinderopvang viel oorspronkelijk onder de gesubsidieerde welzijnssector, onderdeel van  het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De opvang-aanbieder was meestal een gesubsidieerde welzijnsinstelling, voor sociaal-cultureel werk en/of opbouwwerk. De ouder heette ‘doelgroep-ouder’ of was gewoon werkende ouder. Dat veranderde in 2005. Het welzijnswerk bleef welzijnssector en rechtstreeks afhankelijk van overheidsgelden, met dit verschil dat elke instelling voor sociaal-cultureel werk en peuterspeelzalen zich via openbare aanbesteding moest invechten. De goedkoopste aanbieder won, zoals gebruikelijk bij aanbestedingen van de overheid. De huidige SWK-groep, nu ook actief in de kinderopvang, is daar uit voort gekomen.
De kinderopvang werd echter in 2005 bij wet een marktsector, met individuele ondernemers die zelf hun geld moeten verdienen in een verkooprelatie met individuele klanten. De ouder was nu dus ‘klant’. Een klant met overheidssteun (kinderopvangtoeslag), althans soms wel en soms niet, afhankelijk van het inkomen, en met keuzevrijheid. De kinderopvang viel tijdelijk onder Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar valt nu onder Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De branche regelde zelf haar kwaliteitseisen, in een convenant, maar bleef wel onder toezicht! Van de GGD. De ondernemer kon – in elk geval theoretisch – met eigen gelijkwaardige of betere alternatieven komen. Theoretisch omdat menig GGD het een ondernemer niet gunde en een alternatief bot afwees, hoe goed ook. Van vrij ondernemerschap was dus geen of slechts beperkt sprake.
Nog opmerkelijker is de positie die de ouder als klant kreeg. In de vrije markt werd hij als klant ineens een ‘cliënt’! De definitie van een cliënt is: iemand die een beroep doet op geneeskundige, langdurige of preventieve zorg. Een cliënt is dus iemand in de zorgsector.
Maar kinderopvang is géén zorgsector! De zorgsector bouwt op het recht van elke burger op goede zorg en op de plicht van elke burger zich daartoe te verzekeren. Verzekeraars moeten dan die zorg garanderen door de zorgaanbieders voor hun diensten te betalen. En de zorgaanbieder moet verantwoording afleggen over de besteding van het gemeenschapsgeld.
Kortom: Alleen al op deze grond kan de klant in de kinderopvang géén ‘cliënt’ zijn!

De ouder-consument wordt cliënt
Het is onbegrijpelijk dat de werkende ouder, klant op de markt van kinderopvang waar ondernemers via individuele kooptransacties hun eigen geld moeten verdienen en niet worden gefinancierd uit externe gelden zoals verzekeringsgeld of overheidsgeld, een aan deze branche wezensvreemde en zelfs strijdige positie kregen: cliënt.
Dat gaf de ouder (geheel ten onrechte) twee rechten uit de zorgsector: klachtrecht cliënten in de zorgsector en medezeggenschap zorginstellingen (cliënt/oudercommissie). De zorgsector valt overigens (nog steeds) onder een ander ministerie dan de kinderopvang, namelijk Volksgezondheid, Welzijn en Sport! En is recent zelfs onder gebracht in een onafhankelijk en eigen bestuurs-instituut: Zorginstituut Nederland. De Wet cliëntenrechten zorg is bovendien expliciet bedoeld voor ‘alle handelingen op het gebied van individuele gezondheidszorg’, zo kun je lezen. En het er (sinds de recente wijziging van deze wet) in opgenomen medezeggenschapsrecht van cliënten geldt alléén voor intramurale of extramurale AWBZzorg of andere intramurale zorg. Voor alle andere zorgaanbieders in de zorgsector geldt deze verplichting niet. Achtergrond van deze medezeggenschap is namelijk dat beslissingen van een zorgaanbieder diep kunnen ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van cliënten, en dat is alleen het geval in de intramurale zorg. Kinderopvang gaat echter nìet over gezondheidszorg en is al helemaal géén intramurale zorg. Dat is immers zorg die onafgebroken voor 24 uur of langer wordt geboden.
Kortom: Deze juridische grondslag sluit ouders, klanten in de kinderopvang, uit van het cliëntrecht en maakt het onmogelijk de ondernemers te verplichten tot het instellen van een oudercommissie. Formeel-juridisch kan de relatie als ‘zorgaanbieder en cliënt’ geen stand houden. En de klant die nu met medezeggenschapsrecht van een cliënt in het bedrijf van de ondernemer ‘meepraat’ in een oudercommissie, moet dus eveneens worden opgeheven.

Daar komt nog bij dat Wet cliëntenrecht zorg eist van de zorgaanbieder (het bestuur van de instelling) dat hij een overeenkomst sluit met degenen die voor hem de zorg aan de cliënt verlenen (de professionals). Daarin wordt vastgelegd dat deze zorgverleners de wettelijke verplichtingen opvolgen en zich laten leiden door de regels die de zorgaanbieder heeft vastgesteld. Vertaald naar de kinderopvang, betekent dit: de ondernemer moet met zijn eigen personeel overeenkomsten sluiten dat zij zich als professionals aan de wet en aan zijn kwaliteitsregels houden. Bespottelijk natuurlijk. Maar als je van ouders perse cliënten wil maken, dan zijn dit de consequenties. Net als de volgende consequenties.
De cliënt in de zorgsector, is zelf de zorgvrager, hij heeft zelf zorg nodig. Om die reden, zo stelt de Wet cliëntenrecht zorg, moet er een vertrouwensrelatie zijn tussen cliënt en behandelaar (zorgaanbieder). Daarin worden vertrouwelijke gegevens uitgewisseld ten behoeve van de behandeling. In de kinderopvang is dat onmogelijk, onnodig en onwenselijk. De ondernemer als ‘aanbieder van zorg’ (behandelaar) zou zich verplichten tot behandelingsgesprekken over prive-kwesties met individuele ouders (cliënten) gericht op het aanbieden van bij die ouders passende en deskundige zorg. Terwijl in de kinderopvang bovendien niet de ouders maar de kinderen degenen zijn die verzorgd en begeleid worden. Bekwame zorg voor kinderen stemt af op die kinderen en (juist) niet op de ouders!
Ook het volgende uitgangspunt in de Wet cliëntenrecht zorg geeft problemen, dat gaat over de plichten van de cliënt: de cliënt moet meewerken aan de behandeling, verpleging en verzorging die de zorgaanbieder vanuit zijn professionele deskundigheid adviseert en hij moet die adviezen opvolgen en leefregels in acht nemen. Hieruit volgt dat de ondernemer in de kinderopvang als professionele aanbieder die medewerking mag eisen. Let wel: in opvoedingskwesties dus! Ouders zouden hun eigen zeggenschap over de opvoeding dus deels verliezen. Aan rechten zitten nu eenmaal ook verplichtingen vast. Ouders wèl de rechten en nìet de plichten geven van de cliënt is onmogelijk. De wet is niet bedoeld voor ‘wet-shoppen’.

De ouder-cliënt wordt consument
Maar in 2015 gaat er weer iets veranderen, althans als het aan minister Asscher ligt. Hij is gekomen met een wetsvoorstel: Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen. En daarin wordt ingezet op consumentrechten!
De ondernemer heeft inmiddels nog meer vrijheid en rechten verloren. De eisen van de branche zoals vastgelegd in het convenant zijn wet geworden, inclusief de pedagogische doelen en de er achterliggende meningen en overtuigingen, maar zonder fatsoenlijke wetenschappelijke onderbouwing. De ondernemer verliest daarmee het recht van vrijheid van pedagogiek. Maar dus ook zijn eigen professionele ethiek: hij moet doen wat de wet voorschrijft, ook tegen beter weten in. De GGD als toezichthouder beoordeelt hem bovendien niet slechts op de wettelijke eisen maar stiekem ook op zelf verzonnen regels, waar hij vrijwel machteloos tegenover staat en die zijn burgerrechten vergaand schenden (zie ook ‘Zeg ook eens nee tegen de GGD’ en ‘Gij zult niet schuiven’). De sancties in de handhaving zijn buiten proportie.
In deze situatie komt Asscher nu met zijn wetsvoorstel, waarin het klachtrecht van ouders als cliënt wordt uitgebreid met klachtrecht als consument. De ouder krijgt als cliënt dus consumentenrechten. Een verplichte geschillencommissie, waarin ook de Consumentenbond meedoet in het voordragen van leden, moet consumentgeschillen behandelen. Het resultaat: een vleugellamme ondernemer in de kinderopvang met klanten die zowel cliënt als consument zijn, de consument-cliënt, met bijhorende rechten. Een economisch-juridische onmogelijkheid, resultaat van een politiek die nalaat te kiezen en te handelen conform de economische en juridische (on)mogelijkheden: de ouder als cliënt kan niet, zo hebben we gezien, maar de ouder als consument-cliënt kan echt helemààl niet!

Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen
Dit wetsvoorstel gaat over 1) een (prijzige) opschaling van het nieuwe klachtrecht gericht op consumentengeschillen passend bij de ouder als consument en 2) de oudercommissie in een nieuw jasje. De bestaande onafhankelijke klachtencommissie uit het cliëntrecht wordt ‘aangevuld’ met een nieuwe geschillencommissie uit het consumentrecht die bindende uitspraken kan doen over contractkwesties dus geld. Dit hebben wij nader uitgewerkt in ‘Geld, dát telt: De ouder als consument’ en daar blijkt dat in 2013 op jaarbasis zegge en schrijven 233 klachten zijn geweest (op 400.000 ouders per jaar), dat is 0.06%. Die klachten gaan alleen over geldkwesties, en de trend is glashelder: de ouder gedraagt zich niet als cliënt maar als consument! Logisch, want dat is hij ook. Met het wetsvoorstel wil minister Asscher desondanks de cliënt èn de consument in de lucht houden. Deze dubbelhartigheid levert naast de geldverspilling in het klachtrecht met 3 commissies, ook nòg meer rommel in de oudercommissie die hij met deze wet een nieuw jasje wil geven.

Consumenten in de oudercommissie
We hebben het al een paar keer gezegd: ouders zijn consumenten en die horen niet in een cliëntraad/oudercommissie. De naam van het wetsvoorstel is bewust misleidend: ‘versterking positie ouders’. Maar het gaat in feite om consumenten!

De ouders zelf voelen en gedragen zich ook als individuele consumenten: zij klagen over geldkwesties en zijn nauwelijks te porren tot deelname in een oudercommissie (OC). Minister Asscher wil wel de ouder als consument ruim baan geven maar nog niet erkennen dat de ouder als cliënt echt niet kan. Hij sprak zelfs recent, tegen beter weten in en zuiver ideologisch, de hoop uit dat ouders meer gebruik zouden maken van hun cliëntrecht op medezeggenschap als die OC meer over de inhoud zou gaan. Een volslagen uit de lucht gegrepen gedachte die bovendien ook erg onlogisch is. Immers: als consument heeft elke ouder individueel alle ruimte aan het geleverde product zijn eisen te stellen. Veel meer en meer rechtstreeks dan in de fuik van het cliëntenrecht, die bovendien ook (tot nu toe verzwegen) plichten meebrengt.
Waarom dan toch zo krampachtig vasthouden hieraan, beste minister Asscher? Wat drijft u hier? Oud-politiek gedachtengoed van de PvdA? Terwijl het overduidelijk is dat cliënt-adviesrechten voor ouders in de kinderopvang niet behouden kunnen blijven. Opheffen ervan verlost ons allemaal ook van de schijn dat dit intern adviesorgaan iets toevoegt aan de kwaliteit van het product: de opvang. Ouders zijn naïef en ondeskundig op het vlak van opvoeden, jong en onervaren en er niet voor opgeleid. Ook hierover bent u, minister Asscher, dubbelhartig: waar pedagogisch medewerkers een diploma nodig hebben – u wil dat zelfs graag op HBO-niveau – met voortdurende bijscholing, acht u tegelijkertijd de ouders als vanzelf, dus ‘van nature’?, voldoende deskundig om op alle relevante (beleids-) onderwerpen van de kinderopvang een oordeel op niveau te hebben. Alleen maar omdat ze hun kind naar de opvang brengen. Daar kwam en komt begrijpelijk niets van terecht.
Wij vragen u, minister Asscher, speel open kaart en wees transparant in plaats van dubbelzinnig. Dat voorkomt veel geldverspilling voor 3 externe klachtenroutes, en het bespaart ons allemaal nog meer broddelwerk rondom OC’s. Of kan dat niet, vanwege reeds geïnvesteerde belangen?

De Oudercommissie
Het begint al slecht met het nieuwe wetsvoorstel. De minister schrijft in het verslag hierover van 11-12-2014 dat ondernemers wettelijke verplicht zijn om OC-leden te hebben. Zijn die er niet of onvoldoende dan is de ondernemer in overtreding, want hij heeft dan volgens de minister ‘geen OC ingesteld’! Maar dat staat nìet in de wet: daar staat alleen dat een opvangorganisatie een OC moet instellen. Meer niet, dus zeker niet dat die pas, en alleen dan is ingesteld als er voldoende leden zijn. Begrijpelijk, want je kunt mensen (consumenten!) niet onder dwang ergens lid van maken. Je kunt ze wel nadrukkelijk uitnodigen. Deze opmerkelijke denkfout van de minister is al langer een stokpaardje van de toezichthouder, de GGD, die er zelfs ‘overtredingen’ voor noteert. De GGD rapporteert, via de onderwijsinspectie: ‘het niet instellen van een OC’ is de meest voorkomende ‘overtreding’ (27% in de dagopvang). Er zou moeten staan: 27% van alle overtredingen blijkt géén overtreding! Het zijn ondernemers met een OC maar (wellicht tijdelijk) zonder leden. Dat maakt dit ‘inspectie-resultaat’ van de GGD bedrieglijk. Hoe zou het zitten met die andere overtredingen, vraag je je af.
De minister neemt de denkfout blijkbaar klakkeloos over: zijn handtekening staat eronder. Hij zou, zelf jurist, beter moeten weten, hij kent vast het onderscheid tussen het instituut en de bezetting van het instituut. Een voorbeeld helpt: je hebt een OC met reglement en statuten, je betaalt voor je OC contributie aan BOinK, je hebt voldoende leden, waarvan er een paar vertrekken, waardoor je 1 lid overhoudt. Dan heb je volgens de minister ineens géén OC meer.

Het nieuwe wetsvoorstel bouwt echter onverdroten voort op deze denkfout over de OC: bij <50 kinderen in je opvang mag je voor een alternatieve ouderraadpleging kiezen. Maar dan moet je wel eerst je best doen en de GGD weten te overtuigen dat je echt hebt geprobeerd de OC te vullen. En als de GGD tevreden is over die inspanning, mag je een alternatief kiezen. De GGD kijkt wel weer eerst of je ook echt zorgt voor voldoende inspraak. De houders met >50 kinderen mogen niet uitwijken naar een alternatief, want ‘de overheid vindt het bij >50 redelijk om te verwachten dat er wel voldoende ouders gevonden kunnen worden’. De overheid (lees: GGD) gaat dan een sprookje vertellen: bij een hoger grens-aantal ‘verdwijnt de prikkel’ om aan de wettelijk eis te voldoen om een ‘OC in te stellen’ (lees: oc-leden te vinden). Het staat er echt! Op welk wetenschappelijk onderzoek berust dit inzicht in de ‘prikkel-motivatie’? Het is louter fantasie. Een fantasie als grondslag voor deze rechtsongelijkheid tussen ondernemers met meer of minder dan 50 kinderen. Maar onze minister draait zijn hand niet om voor een nog veel verdergaande rechtsongelijkheid: de alternatief-regeling geldt ook voor de gastouderbureaus met minder dan 50 gastouders. Dat zijn dan dus 50 x 5 kinderen = 250 kinderen! Het alternatief staat dus open voor dagverblijven, speelzalen en bso’s tot 50 kinderen, maar bij gastouders tot wel 250 kinderen. NB: denkt u eens mee over de hiervoor genoemde ‘prikkel’ om boven 50 kinderen niet meer aan de wettelijke eis te voldoen!
Een overheid die zich serieus bekommert om rechtsgelijkheid wil dit niet! De minister betoont zich ook op dit punt weer dubbelhartig. Want de peperdure optuiging van de nieuwe geschillencommissie die hij wil, legitimeert hij juist met de reden: gelijke rechten van ouders! Wat er de facto op neerkomt dat 99.94% van de ouders hetzelfde recht op klagen moeten krijgen als de klagende 0.06%! Maar tussen aanbieders van opvang hoeft dus geen rechtsgelijkheid te bestaan.
En dan nog weer een dubbelhartige insteek van de minister: slechts 33% (5.053) van de kinderdagverblijven en peuterspeelzalen maar 60% (21.650) (!) van de gastouderbureaus komt in aanmerking voor de 50- regeling, aldus het verslag van de overheid. Opnieuw spaart de minister de gastouders. Zij hoeven ook geen vierogenprincipe, mogen toe met minder opleiding en minder materiële voorzieningen. Waarom? Welk belang heeft de minister hiermee voor ogen? Géén kindbelang, dat staat vast: de risico’s zijn er het grootst, maar de minister houdt ze uit de wind. Goedkoopte? Of nog steeds het speeltje van de PvdA, de partij van Asscher, die ze ooit zo onnadenkend introduceerde?

We keren terug naar het uitgangspunt: de ouder is een consument, geen cliënt. Rechtens en de facto vervalt daarmee de toepassing van het cliëntenrecht in de kinderopvang en dus de verplichte oudercommissie, ook in zijn nieuwe jasje.

Beoogde datum inwerkingtreden van dit wetsvoorstel: juli 2015

Dit artikel delen
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print

1 Reactie op “DE CONSUMENT IN DE OUDERCOMMISSIE

  1. Beste,
    Ik heb met interesse een aantal van jouw/jullie artikelen gelezen op deze site. Ik vind het een verfrissend geluid en zou veel mensen uit de branche tot nadenken moeten stemmen. Het lijkt me dat jullie een breder publiek kunnen bedienen en zou dan ook willen overleggen of het een optie is dat een bewerking van de artikelen (ze zijn wel erg lang om compleet te plaatsen) in het vakblad Management Kinderopvang te publiceren. Daar zou wel een naam bij moeten, want lange anonieme opiniërende artikelen in het blad, vind ik niet echt gepast. Graag wil ik in overleg met jullie,

    met vriendelijke groet,
    Marike Vroom, hoofdredacteur van Management Kinderopvang

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *